Merchants Of Air reviews

GRAHAM DUNNING & DIRK SERRIES – Live In The Lowlands

“The output of Dirk Serries seems neverending, which coincidentally can also be said by the length of most of his works. Not that I mind, on the very contrary. In a way, Serries has been in my living room more than any of my friends and family. His solo works and his releases with Yodok III are constants here, played on an almost daily basis.
To be honest, I cannot say that about Graham Dunning. This is actually the first time I see his name so I’m not familiar with his music. Yet, judging from what I’m listening to at this very moment, that might change soon. Dunning is a sound artist, always exploring the possibilities of music.

This album is a registration of two different concerts. The first one having taken place in Rijkevorsel, Belgium, while the other one recorded at De Ruimte, Amsterdam, Netherlands. Both tracks share a passion for experimenting with sound. Somehow, it feels like most of the experimentation comes from Dunning. Serries’ lingering and droning guitar sound is not the constant here. The constant seems to be a form of free jazz and the chemistry of live improvisation, something these two artists know quite a lot of.

When I say “free jazz”, don’t expect confusing rhythms and over-the-top saxophone solos. The whole album maintains a slow and somewhat mellow tone. I guess “ambient jazz” is a better phrase. Drones, soundscapes, strange noises, turntables and unidentified object create a strange but constantly evolving sound that demands to be explored. Different sound float in an out, leaving the listener somewhat estranged and confused. In a good way, obviously. This is just a remarkable album, one every jazz/ambient/drone/experimental fan should own.” Merchants Of Air – Belgium

Advertisements

Can This Even Be Called Music reviews

KODIAN TRIO – II (LP, Trost Records)

“The second album of the Belgian free jazz trio is even better than their first. The dynamics between the guitar, the saxophone, and the drums are wild and untamed, almost akin to completely expressionist music – that’s if it isn’t exactly this already! The sax surges are often impressive, if not downright surprising, while the drums seem to be able to keep the rhythmic section endlessly interesting, with the guitarist’s inventive patchwork filling the pieces with its own strange musical context. It’s great!” Can This Even Be Called Music –

DRAAI OM JE OREN reviews

Martine Verhoeven & Dirk Serries – ‘Innocent As Virgin Wood’ (New Waves Of Jazz, 2017) Quartet & Quintet – ‘Double Vortex’ (New Waves Of Jazz, 2017) Kodian Trio – ‘II’ (TROST, 2017)

Gitarist Dirk Serries is het type musicus dat zichzelf iedere keer weer opnieuw uitvindt. Ooit was hij geliefd in de hoek van de ambient onder zijn alias Vidna Obmana. Zo geliefd dat hij er nog jaren mee door had kunnen gaan. Maar hij wierp zijn alias af, ging verder onder zijn eigen naam en verwierf bekendheid met een heftigere en duisterdere vorm van dronemuziek, onder andere met zijn trio Yodok III. Serries heeft echter meer in zijn mars, getuige ook het net verschenen album dat hij met Martina Verhoeven opnam, ‘Innocent As Virgin Wood’, en dat in niets lijkt op wat we tot nu toe van hem hoorden. Verhoeven op piano en Serries op akoestische gitaar en zonder elektronica in een uit vijf delen bestaande suite. Wat hier vooral opvalt is het uitgebeende, bijna schrale karakter van de muziek, die ongeveer evenveel stilte als noten bevat. Hier geen ritme, geen melodie, louter een aaneenschakeling van op zichzelf staande klanken, teruggebracht tot de naakte essentie. Vertolkt door twee musici die elkaar in opperste concentratie aftasten.

De eerste maten van ‘Double Vortex’ maken al duidelijk dat we hier met een totaal ander album van doen hebben. Van een kwartet met saxofonisten John Dikeman en Colin Webster verwachten we overigens niet anders. Beiden staan bekend als blazers die alles uit hun instrument halen wat erin zit en niet vies zijn van een portie fikse dramatiek. Het betreft hier opnames in de Londense Vortex, uitgebracht als ‘Session One’, bovengenoemde musici aangevuld met drummer Andrew Lisle en ‘Session Two’ waarop het kwartet is uitgebreid met een derde saxofonist: Alan Wilkinson. In beide sessies verrast het kwartet / kwintet ons op een rijke klankwereld. Soms vrij ingetogen, tegendraads schurend – een prachtig voorbeeld hiervan zit vrijwel aan het einde van de eerste sessie – maar vaker onstuimig knallend en verontrustend scherp. Maar altijd overtuigend en meeslepend. Aan alles hoor je: hier wordt gemusiceerd met hart en ziel, hier wordt de kern geraakt.

Met Webster en Lisle vormt Serries ook het Kodian Trio. In 2016 zag het eerste album van dit trio het licht en eind oktober komt de tweede uit, als lp bij het vermaarde Oostenrijkse label TROST. Simpelweg ‘II’ geheten. Op dit album valt met name het enerverende, getormenteerde spel op van Webster, terwijl Serries en Lisle het vuur op de achtergrond iedere keer weer flink opstoken. Een mooi rustpunt in al het geweld is het eerste deel van het derde titelloze stuk op de A-kant van de plaat. Lisle legt hier een prachtig subtiel ritmisch patroon, waar Webster zeer ingetogen, bijna gevoelig op aansluit. Het tekent dit trio dat het hier niet bij blijft, dat de spanning gaandeweg weer stijgt en dat Serries met zijn elektrische gitaar uiteindelijk aan het subtiele spel een einde maakt. Het stuk eindigt met wellicht wel Websters beste solo. Amechtig piepend, krassend en pruttelend begeeft hij zich naar het einde. De B-kant van het album kent meer rustige momenten. Het bijna zoekende spel van het trio in het tweede stuk mag bijzonder genoemd worden, klinkend als een ingetogen dialoog, maar vooral de solo van Webster in het derde stuk. Als een soort spiegelbeeld van de eerdergenoemde solo. Hier hanteert hij de circular breathing-techniek op uiterst subtiele wijze, zeer bescheiden ondersteund door Lisle op bekkens. De saxofonist voegt daar een verbazingwekkende serie vreemde geluiden aan toe. Als Serries zich erbij voegt, is dat eveneens fluisterzacht. Eindigen doen we in stijl, met een intieme, door Webster geblazen melodietje.

Maar hoe mooi ook die cd’s en ‘lp’s, een man als Dirk Serries moet je live beleven. Dat kan gelukkig regelmatig. Bijzonder in dat verband gaat ongetwijfeld zijn residentie met zijn project Tonus bij Jazzcase in Dommelhof, Neerpelt worden. Bekroond met een concert op 16 november. Naast Serries zelf vinden we daarin Verhoeven en Webster, Jan Daelman op fluit, Nils Vermeulen op contrabas en George Hadow op drums.” Draai Om Je Oren – The Netherlands

KODIAN TRIO’s II receives rave reviews

“4 out of 5. Europe’s free jazz scene continues to race forward, to the delight of its small but ardent fan base. The self-described “improvising power unit” Kodian Trio is doing its part to keep things hopping.

Featuring Dirk Serries  on electric guitar,  Andrew Lisle  on drums and Colin Webster on alto saxophone, the three-piece recorded its second album at the Sunny Side Inc. studio in Brussels, Belgium. It’s a trip.

For the uninitiated, Webster and Lisle are both active improv players that have been steadily growing their respective audiences with each project. Serries’ background is a bit more varied. The guitarist had his start in industrial and ambient music before turning to improvisational jazz. He recorded under the name Vidna Obmana between 1984 and 2007.

What will strike you first on this six-track effort is the extraordinary mix of Webster’s saxophone and Serries’ guitar. Despite the fact that Webster used just one instrument and Serries just one pedal effect, both are way out there. This could come across as a contest for attention. On the contrary, Serries’ jagged-edge playing underscores Webster’s delivery beautifully. Imagine a modern dance piece performed on the edge of a cliff.

That intricacy extends to Lisle’s drum kit. Despite the lack of elbow room, his playing provides an entirely separate focal point. You will find yourself distracted by his bandmates repeatedly. But he will pull you right back. Lisle adds a dimension to the album that may be understated at times, but packs a wallop where it’s needed most.

Kodian Trio have only been together since 2015. London’s Café Oto served as a fitting birthplace. Perhaps the album’s final track—in which Webster (a self-confessed metal head) blows kisses of various size and shape through his saxophone—is a kind of love letter to what The Guardian called “Britain’s coolest venue.”

Indeed, there is a playfulness inherent in the work that sets the Kodians apart from free jazz groups intent on testing their listeners. This light-heartedness is at least partly due to how often the trio plays together. (They seem to thrive on back-to-back performances.) All three give Sunny Side high marks, and describe the session as smooth and problem-free.” All About Jazz

“Neste segundo álbum do trio formado por Colin Webster (sax alto), Dirk Serries (guitarra) e Andrew Lisle (bateria), seis novas faixas são exploradas, metade em cada lado do vinil (edição limitada de 300 cópias). Com um free impro vigoroso e cheio de nuances, o Kodian Trio exibe formas amplas de investigar as vias improvisativas, indo de temas breves (3 min) a outros de extensão mais longa (até 11 min), sempre variando os enfoques. O tema mais extenso, que fecha o lado A, começa, por exemplo, em modo contido, com Lisle tocando as peles pontualmente, um som aqui, outro ali, sendo seguido primeiramente pelo sax, que destila notas espaçadas, até a entrada da guitarra ir esquentando as coisas, que já soltarão fagulhas lá pelos quatro minutos. Em outro extremo, o breve tema que abre o álbum já vem em modo alta voltagem desde o início. Um dos pontos elevados do conjunto (ao menos no que se refere ao sax) está no segundo tema exibido. Ali temos Webster em seu melhor, destilando um sopro enérgico e muito intenso, daqueles momentos que esquentam os ouvidos de pronto. ” Free Form Free Jazz – Brazil

Q&A with KODIAN TRIO

“AllAboutJazz.com was kind enough to add me to its list of contributors last month. My first post focused on the great jazz drummer Abbey Rader, who has two terrific new albums out.

I’ve just submitted a review of Kodian Trio’s II, a strong six-track effort scheduled for a Nov. 17 release. The band features Dirk Serries on electric guitar, Andrew Lisle on drums and Colin Webster on alto saxophone. This Q&A was part of my research.

How does this differ from other projects the band members work on?

Serries: For me I always considered KT to be the one and only “free jazz” band I’m in. From day one we approached our trio somehow, musically that is, as a more playful entity than something that is determined to cause mayhem, and play only loud and intense concerts.

Especially now with the second album we really reached a new way of playing together. Perhaps a bit more musical while keeping control over the abstractness and free improv. KT became a trio, to my ears, that can be both playful and restrained at the same time. A true free trio.

Lisle: Out of all the freely improvised trios I’m part of, Kodian Trio is the one with the most time spent performing back-to-back gigs. This time playing night after night, even for relatively short periods, gives the trio a natural telepathy which impacts the way we interact on stage and in the studio.

Webster: For me, all the projects I work on are different – some more so than others. Kodian Trio is a meeting point for a lot of my interests in improvised music, and where that crosses over into noise, drone, rock and so on.

The playing is so intricate. Was it a difficult album to record?

Serries: I don’t think it was, not to my knowledge. It was intense for sure as with every take you had to be 200% focused. But thanks to the great live room acoustics of the Sunny Side Inc. studio we performed and recorded the album without any major obstacles, and almost every song back to back. It was a really smooth process. That year [2016] we were also playing together a lot and that truly enhanced our communication through sound. I personally kept on downsizing my pedalboard until just one pedal effect while Colin dedicated himself to the alto saxophone only. The live experience, each of us finding our own tune, sound and timbre and the respectful communication boosted us to record this so-called difficult second album.

Lisle: If anything, this session was one of the easiest I’ve done due to the amazing sound at Sunny Side Inc. studios.

Webster: The playing is intricate, and the sound is certainly dense in places, but it wasn’t a struggle at all. We had been playing a lot together by the time we recorded this album, and had reached a point where we could easily transition between very dense, and also very sparse, or ambient playing.

Any reference points I can share? Band member favourites, currently listening to, etc. 

Lisle: At the moment I’m really into: Don Cherry & Ed Blackwell – Mu, James Blood Ulmer – Tales of Captain Black, Booker Ervin – Freedom Book and everything Eric Dolphy ever recorded.

Webster: I’ve been on the road a lot lately, and usually listen to a lot of metal when I’m driving! Other than that, a lot of Last Exit/Bill Laswell stuff. Also really loved the latest Dave Rempis albums.” Baddpress – UK

KODIAN TRIO on TROST RECORDS !

TR168_frontcover

“Kodian Trio … blasts through, mashing free improv clicks and clatters with free jazz-inspired hoots and hollers, all wrapped up in a waistcoat of gimlet-eyed punk attitude.” – Paul Margree, We Need No Swords

Improvising power unit Kodian Trio rose from the ashes of a scorching concert at London’s Café Oto in 2015. Following the release of their debut album in 2016 the trio hit the road swiftly becoming major contenders on the fertile and outward-looking European scene.  Kodian Trio comprises of the saxophone and drums pair of Colin Webster and Andrew Lisle – both rising stars of British improvised music, known for their dexterous and uncompromising playing. The trio is completed by Belgian guitarist Dirk Serries – master craftsman of ambient and industrial music who in recent years has turned to improvisation.

In late 2016 Kodian Trio headed back to the Sunnyside studio in Brussels to record this second studio album ‘II’.  The album is now available from the fantastic TROST RECORDS on virgin vinyl and digital.  KODIAN TRIO will tour from February 2018 on.

“Vandaag verschijnt de tweede vinylschijf van het Kodian Trio, simpelweg II geheten en opgenomen in de Sunnyside Studio te Brussel. Het eerste studio-album (I) verscheen begin 2016 bij A New Wave of Jazz en daarna verschenen enkele live-opnamen bij Raw Tonk Records: Live at Paradox op cd-r en Volt/Pletterij op cassette. Het is te hopen dat het verschijnen van II bij het grotere Trost Records zorgt voor meer naamsbekendheid van het trio, want als het gaat om rauwe en intense vrije improvisatie, kent Kodian Trio zijn gelijke niet.

Kodian Trio bestaat uit de Belgische gitarist Dirk Serries, de Engelse saxofonist Colin Webster en de eveneens uit Engeland afkomstige drummer Andrew Lisle. Webster beperkt zich op de nieuwe plaat tot het spelen van altsax. Tijdens concerten speelt het trio lange, volledig geïmproviseerde sets, maar getuige I en het nu verschenen II pakt men de zaken in de studio iets anders aan. En dus horen we op het nieuwe album zes stukken, in lengte variërend van ruim drie en een halve minuut tot elf minuten. Aan titels doet Kodian Trio niet: de stukken zijn genummerd A1 tot en met B3.

Opener ‘A1’ laat horen hoe het drietal al hortend en stotend en weerbarstig tot de mooiste resultaten komt. Serries laat zijn gitaar doorklinken maar dempt ook, Webster sputtert en fragmenteert maar speelt ook lange noten en Lisle voorziet het geheel van afwisselende slagen op snare, basdrum, toms en bekkens. De rauwe energie spat van de muziek af.

Die energie neemt alleen maar toe in ‘A2’. Serries speelt tegendraads, houdt in en haalt uit, en Webster laat horen dat hij op altsax even robuust uit de hoek kan komen als op baritonsax. Uiteraard is de toon wat lichter, maar dat compenseert de Brit door met tomeloze inzet te spelen. Lisle is de niet-verbindende factor als het om zijn spel gaat, want dat is eigenwijs en bij tijd en wijle zeer krachtig, maar toch houdt de drummer het zaakje bij elkaar. Nadat Serries en Lisle halverwege even als duo spelen, neemt de de slagkracht in het vervolg nog verder toe. Met melodieuzer spel van Webster wordt die weer getemperd. Lisle speelt een korte solo, waarna gezamenlijk wordt besloten.

Kodian Trio staat voor veel meer dan energieke vrije impro. Een goed voorbeeld daarvan op II is het eerste gedeelte van ‘A3’. Lisle opent met bedachtzame slagen op de toms en Webster valt in met redelijk ingetogen spel, waarin hij melodieuze lijnen speelt die niet lijken te worden afgemaakt, wat een spannend effect geeft. De energie van het stuk neemt aanzienlijk toe wanneer Serries invalt met donkere en grofkorrelige tonen. Webster verhoogt het tempo van zijn spel en lijkt er in razend tempo vandoor te willen. Hij komt niet weg, want Serries en Lisle blijven hem met vastberaden spel op de hielen zitten. Bijzonder is hoe Lisle zijn spel varieert in tempo en intensiteit en daarbij toch de indruk wekt een duidelijke beweging voorwaarts te maken. Serries fungeert met a-ritmische ingevingen als stoorzender, het zand in de motor dat voor haperingen zorgt, waardoor de muziek van het trio weerspannig en onvoorspelbaar klinkt. Webster keert sputterend op het nest terug, protesterend met alles wat hij in zich heeft. Het slotwoord is voor Lisle, die met een paar krachtige slagen het stuk beëindigt.

Kant 2 opent speels en aftastend. Webster speelt staccato noten, Lisle doet het met hihat en bekkens. Meest aanwezig is echter Serries, die in hoog tempo technieken combineert en zowel vervreemdende effecten als aardse grondtonen produceert. Verderop is het trio vertrokken voor een zowel gezamenlijke als individuele dollemansrit, al blijkt bij dit drietal altijd weer dat wel degelijk controle aanwezig is in de chaotische muzikale passages.

Serries opent ‘B2’ met enkele zwiepende tonen, waarbij hij overigens zijn tegendraadse spel niet loslaat. Webster fladdert om het spel van de gitarist heen terwijl Lisle met brushes op zijn snare de muzikale onderlaag vormt. Gaandeweg worden de open noten minder. Webster en een zeer creatieve Lisle spelen een ingehouden en spannend duet. Wanneer Serries zich weer meldt, wordt het tot dan toe redelijk beheerst klinkende stuk voorzien van een korte luidruchtige finale.

‘B3’, tot slot, laat Webster en Serries horen in een aftastende opening, waarin de lange noten van de saxofonist door de gitarist worden voorzien van zacht ratelend gitaarspel. Webster zoekt het hoge register op en combineert dat met rauwe klanken. Lisle reageert met het leggen van een snel maar zacht ritmisch patroon op voornamelijk bekkens, waarmee hij doorgaat zodra de saxofoon stopt. Webster maakt zuigende en smakkende geluiden en Serries speelt tegendraads maar beheerst. De saxofonist gaat uiteindelijk over op clean en rustig spel en samen met de zachtjes spelende Serries en de met spanning geladen bekkenslagen van Lisle wordt het album besloten.

De tweede studioplaat van Kodian Trio is een album dat de oren op scherp zet en de fantasie prikkelt. Lisle, Serries en Webster voelen elkaar perfect aan, waardoor ieder zijn individuele en eigenwijze spel kan spelen zonder dat dit in de weg staat aan de expressiemogelijkheden van de andere twee muzikanten. De geïmproviseerde muziek is opwindend, spannend, inventief en intens. II is een schitterende plaat die iedere draaibeurt aan glans wint.” Opduvel – The Netherlands

DUNNING & SERRIES

dunning serries live cover

“Voordat de korte tour in Nederland en België in maart van dit jaar van start ging, hadden Graham Dunning en Dirk Serries nog nooit met elkaar gemusiceerd. Hun eerste optreden vond plaats in De Pletterij in Haarlem, maar de opnames voor deze cd-r zijn gemaakt in De Singer in Rijkevorsel (België) en De Ruimte in Amsterdam. De twee muzikanten lijken voor elkaar gemaakt, want de geïmproviseerde stukken klinken ideeënrijk en spannend.

Serries ontpopt zich steeds meer als freejazz-gitarist, maar brengt de bagage die hij heeft als ambient- en drone-muzikant met zich mee. Dat is goed te horen in de samenwerking met Dunning in het eerste stuk (opgenomen in De Singer), waarin de gitaar voor de atmosferische klanken zorgt, een drone neerlegt, waar Dunning met zijn draaitafel, dubplates, galmende effecten en objecten ruisende, krakende, schurende, schuivende en percussieve geluiden aan toevoegt. Dat lijkt at random te gebeuren, maar de draaitafelkunstenaar weet exact waar hij zijn klanken moet plaatsen.

Serries laat het niet bij de constante drone, daar zit beweging in en na verloop van tijd klinkt de gitaar zelfs als in de verte luidende klokken. Dat gaat dan wel gepaard met een lage drone van Dunning, wat een vervreemdend maar ook spannend effect teweegbrengt. Tegen het einde wordt het lastig het onderscheid tussen het spel van Serries en Dunning te onderscheiden en ontstaat een samengaan, dat echter niet vloeiend maar weerbarstig klinkt. De intensiteit neemt tegen het einde enorm toe en mondt uit in een luidruchtige climax.

Het in De Ruimte opgenomen stuk volgt een volledig ander pad. Serries laat de drone achterwege maar produceert korte, soms a-ritmische klanken op zijn gitaar, terwijl Dunning zijn krakende draaitafelgeluiden combineert met percussieve objecten en elektronische effecten. Donkere percussie en ingehouden spel zorgen in dit stuk voor spanning in een verstild gedeelte waarin Serries zijn snaren lichtjes beroert. Dunning strooit met vervreemdende geluiden en Serries gebruikt feedback en donkere en heldere tonen.

Na circa vijftien minuten vinden de beide muzikanten een gezamenlijke muzikale taal, als Serries een gemene drone neerlegt en Dunning daar ook langgerekte klanken tegenover stelt, die overigens vergezeld gaan van kraakjes en ruisjes. Daarna lijken de muzikanten weer afstand te nemen, maar ze verliezen elkaar niet uit het oog. Er is constant interactie en die is ook merkbaar, of zelfs voelbaar, als je het niet ziet. Het Amsterdamse stuk is een abstract, dynamisch en inventief stuk muziek dat de oren steeds opnieuw doet spitsen, ook na ettelijke luisterbeurten.” Opduvel – The Netherlands

Available directly from Raw Tonk Records :

 

VITAL WEEKLY reviews

MARTINA VERHOEVEN & DIRK SERRIES – INNOCENT AS VIRGIN WOOD (CD, A New Wave Of Jazz 2017)

“This week I had this strange vision of ‘free jazz and improvisation is where the money is’, after sending our compadre senor Mulder a whole bundle of music from ActuelleCD, WideEar, Innova and one from  New Wave Of Jazz. Maybe up to 10 or 11 CDs (so allow some patience before reading about them; and yes, no doubt musicians of this kind of music will disagree with my remark about money), but not after checking the content myself, as surely in the case of New Wave Of Jazz, I see the involvement of Dirk
Serries, someone whose work I heard over thirty years ago for the first time, and while I wouldn’t call  myself a fan I followed his work with interest. First as Vidna Obmana, going from a bit of noise to ambient with lots of synthesizers, then as Fears Falls Burning, lots of ambient with a guitar, Microphonies, ditto, and I already picked up the rumour he’s now (also) into very freely improvised music, and this is actually the first time I get to hear too. Well, not entirely the first, as the group effort he’s also send is way more Dolf’s thing and I heard that too, and I thought this would be along similar lines, but I kept listening here and decided to share my (re) view of it. Serries plays here acoustic guitar and Martina Verhoeven plays piano. She is Dirk’s wife and best known for her photography on the cover of many of Serries’ releases, but also on Discogs listed as a bass-player; and piano apparently; for both Serries on acoustic guitar and Verhoeven on the piano it is the first time. On April 9th, 2017, they recorded the five parts of ‘Innocent As Virgin Wood’ together, and I understand the title as homage to the wood of both instruments. They don’t sound, i.e. are virgin, if you don’t play them and are thus
innocent, but of course they are no longer innocent.   I do review a bit of improvised music, perhaps not often of the kind of blearing saxophones and wild banging on piano’s, but more of the kind that is presented by Serries and Verhoeven here. This is very
quiet and thoughtful music, almost impressionistic, with sparse tones hanging freely in the air. Quiet, however, doesn’t equal silence here; there is always something to hear, but Verhoeven and Serries have an excellent control over their instruments (no doubt there have been some playing before the actual recording started to get some feeling for the instruments) to make it held back, controlled and full of tension and interaction between both players. It never becomes hectic or chaotic, but throughout it remains this level of minimalism, even in those sparse moments things go up a bit in volume, or a few more notes are played. This is all very intimate music and exactly the kind of free improvised music I enjoy very much.” Vital Weekly – The Netherlands

YODOK III’s live albums reviewed

Yodok III – The Mountain Of Radiance, of course! *)

Gitara elektryczna, przystawki, przetworniki dźwięku – po lewej stronie sceny, patrząc z perspektywy odbiorcy. Tuba i flugabone (instrument dęty, coś pomiędzy tubą a trąbką) podłączone do amplifikatorów wielkiej mocy, po prawej. Na samym środku, pełnowymiarowy zestaw perkusyjny. Niech taki obraz stanie Wam przed oczami. Być może pomocne okażą się fotografie.

Gitarzysta nazywa się Dirk Serries i na ogół siedzi na krześle, mając swój iskrzący prądem instrument strunowy rozłożony na kolanach. Tubista, to Kristoffer Lo. W trakcie koncertu na ogół klęczy. Obok leży wielka tuba, która jest dramatycznie okablowana. Muzyk dmie w nią właśnie w pozycji na kolanach i manipuluje potencjometrami. Perkusista – Tomas Järmyr zasiada za zestawem bębnów i talerzy. W jego przypadku trudno o inną pozycję.

Formacja zwie się zaś Yodok III. Odpowiedź na pytanie, dlaczego akurat ta rzymska trójka w nazwie, a także dwa słowa o samych muzykach, odnajdziecie w tekście opublikowanym na Trybunie nie dalej, jak cztery tygodnie temu. Tekst dość szczegółowo opisał wówczas katalog sublabelu Tonefloat Records – A New Wave Of Jazz, zaś rozdział poświęcony grupie nosił tytuł Let’s rock and go dark.

Ze strony Pana Redaktora padła wówczas obietnica bliższego przejrzenia się dwóm najnowszym płytom Yodok III, które dostępne są światu od roku ubiegłego. Dziś obietnica ta zostaje spełniona.

Legion Of Radiance – Live At Dokkhuset

Koncert w Dokkhuset (Trondheim, Norwegia), 15 maja 2015. Jeden track o długości 68 minut. Dostarcza Consouling Sounds (CD, 2016).

W mroku, od właściwej strony ciszy, zaczyna się ta opowieść, jak każda zresztą, gdy odpowiedzialnymi za efekt końcowy są muzycy Yodok III. Pierwszy dźwięk, to być może szelest szczoteczek perkusyjnych, może to delikatne skwierczenie wzmacniacza tuby. Gitara na razie na bardzo dalekim planie, zbliża się, warząc każdy swój krok. Pierwsze mikrodrony tuby. Wciąż intensywnie nadstawiamy uszu, by cokolwiek dobyć z otchłani tej groźnej ciszy. Mechaniczny rezonans. Gitara nadal w oddali, rytmiczne szmery perkusyjne. Tomy i werble rozmawiają ze sobą szeptem i knują intrygi. Z kajetu recenzenta: na tle poprzednich nagrań Yodok III, instrumenty są bardziej separatywnie umieszczone w przestrzeni fonicznej i nie lepią się w jeden wielodźwięk. Ale i tak, nawet wyjątkowy zaangażowany słuchacz może mieć problemy z precyzyjnym diagnozowaniem źródeł dźwięku. Lo bezwzględni czyni cuda, przepuszczając dęte pasaże przez kilometrowe zwoje kabli, Järmyr przypomina zaś perkusyjną pozytywkę. Upływa 9 minuta, a muzyka wciąż pozostaje niezwykle cicha. Proces narastania dźwięku bywa żmudny, pracochłonny, ale realizowany jest przez muzyków z iście nordycką precyzją. Kolejne jego etapy kontrapunktowane są przez perkusistę, który funkcjonuje na ekstremalnym pogłosie. Złowieszczo pomrukuje i stawia stopy, robiąc bruzdy w podłodze. Okolice 17 minuty – obecność perkusji w zwoju improwizacji jest już akustycznie namacalna. Tak, definitywnie gra żywe dźwięki! Dwa dronowe źródła dźwięku, na przeciwległych flankach, przeczą jednak realności tej sytuacji scenicznej. 20 minuta – dron gitarowy narasta, jest już na krzywej wznoszącej, tuba kontratakuje, w tle zaś upiorna pozytywka, która trwa niczym niekończący się koncert AMM. Järmyr stawia coraz silniejsze akcenty (stopa!), a my, niezłomni odbiorcy tego muzycznego szaleństwa, atakowani jesteśmy dwoma gęstym zwojami melodii (Serries z lewej, Lo z prawej), repetowanymi z uporem godnym lepszej sprawy. To narracja, która kipi namiętnościami i emocjami każdej serii Twin Peaks, która ma twarz wszystkich wartościowych kochanek, jakie mieliście czelność stracić w swym zbyt długim życiu.

W 25 minucie okazuje się, że tuba, tudzież flugabone potrafią zmysłowo pohałasować. Perkusja jest już tak silnie rozgrzana, że iskry lecą, to w prawo, to w lewo. Gitara buduje zaś foniczny kosmos i wyjątkowo dobrze jej idzie. 30 minuta, to już stan pełnego wrzenia. Dźwięki bulgoczą, płyną, eskalują się. Pogłos sprawia jednak, iż ich industrialny ciężar ma metafizyczną wręcz lekkość, ledwie muska nam bębenki uszne. Po kolejnych pięciu minutach czeka nas delikatne wybrzmienie, narracja spowalnia, a na placu boju zostaje tuba i jej upiorna, ale czysta melodia, powtarzana w nieskończoność. Oczyszczająca moc melodii! Reszta milczy, dyszy, łapie oddech po ustaniu hałasu. A w tle buduje się już nowa narracja. 37 minuta zwiastuje nowy świt! Mocny dron tuby stawia nas do pionu. Na nim wznoszony jest blok skalny nowej improwizacji. Powraca pozytywka (może to sekwenser?), a gitara buduje separatywny dron. Perkusja czeka na przebieg wypadków, ociera pot z czoła. Ta nowa opowieść jest bardziej zadziorna, nawet agresywna fonicznie i początkowo całkowicie wyzbyta melodii. Stopa znaczy teren i porządkuje wydarzenia na scenie. Po 45 minucie rodzą się jednak nowe zarysy melodii, które nakładają się na siebie, jak plastry miodu, a rzeczona stopa dba o poziom cukru (jesteśmy na powrót w dużym już hałasie!). Konwulsyjny drumming pnie się środkiem i rozdziela akustycznie, samoeskalujące się porcje melodii na flankach. Wszyscy pniemy się już po drabinie intensywnie narastających dźwięków! Mija godzina koncertu, a szczyt jest już bliski. Järmyr ma w rękach lejce i gotów jest użyć bata! Noise for ever! Muzycy są wyjątkowo konsekwentni i na pewno zrealizują plan tego wieczoru w 100%! Finał, to już prawdziwa eksplozja bębenków usznych, w idealnej symbiozie z egzystencjalnym oczyszczeniem! Noise makes perfect! Jeszcze tylko orgazm, a potem już same oklaski.

The Mountain Of Void – Live At Roadburn 2016

Koncert w ramach Roadburn Festival 2016 (Tilburg, Holandia). Dokładna data nieznana. Jeden track (CD) lub dwa traki (LP). Około 47 minut. Dostępny dzięki Tonefloat Records (2016).

Part One. Intensywnie, hałaśliwie, wielodźwiękowo od pierwszego oddechu – dość nietypowo, jak na kanony Yodok III. Sprzężenia i interakcje na flankach. Perkusja aktywna od startu, drumminguje niezwykle szeroko w przestrzeni fonicznej koncertu. Gitara i tuba posadowione jakby bliżej siebie. Już po paru chwilach odnotowujemy incydent na kształt solówki na bębnach! Czynionej, dodajmy, na tle połyskujących smołą, wyważonych dronów gitary i tuby. Ta ostatnia emituje środkiem, ma matowe, wręcz elektryczne brzmienie. Narracja toczy się szybko, jakby dotychczasowy Yodok III odtwarzany był na 45 obrotów (słuchamy wersji winylowej, zatem skojarzenie jakże zasadne). Oczywiście sama narracja, tradycyjnie narasta i gęstnieje, ale ów proces nie jest chyba równie spektakularny, jak choćby na płycie wcześniej omówionej. W podstrefach akustycznych, pojawiają się drobne zarysy melodii, ale wszystko odbywa się pod pręgierzem aktywnej pracy perkusyjnej. Muzycy zdają się być mniej cierpliwi, eskalują w pośpiechu, są bardziej pobudzeni, a adrenalina buzuje w ich żyłach. Czyżby gotyccy wyznawcy dark-ambientu trafili na death-metalowy festiwal? 16-17 minuta – improwizacja nabiera rozpędu i popada w energetyczny galop. Wybrzmienie przychodzi dość szybko, niespodziewanie, ale jest tłuste, wielopłaszczyznowe, otwarte stylistycznie, pełne uroczych znaków zapytania.

Part Two. Wyłaniamy się z mgławicy ambientu, zapewne powracamy do stanu na koniec pierwszej strony czarnego krążka. Tym razem dźwięki wyłaniają się z otchłani piekielnej dużo spokojniej, w estetyce bardziej typowej dla tych trzech muzyków, w tej konfiguracji personalnej. Zwinna perkusja, płynna, stabilna fonicznie gitara, eksplodujący, mutowany, ale czysty dźwięk tuby. Cool silent non-anarchy ambient! Pięknie płyniemy, co za widoki! Tuba realizuje urocze pasaże w wysokim rejestrze. Po 15 minucie pierwsza próba niezobowiązującej eskalacji. Napęd daje Tomas, Dirk i Kristoffer zdają się być odrobinę oporni na wiedzę. Ale systematyczna praca procentuje – muzycy spinają się perfekcyjnie. I znów, na finał, wcale nie skromna galopada. Doom more than dark ambient metal! Intrygujące sprzężenia na gryfie gitary, tłumienie emocji przy skomlącej i gasnącej tubie. Szybkie wybrzmienie i … burza oklasków, jak na prawdziwym rockowym koncercie!” Spontaneous Music Tribune – Poland

GRAHAM DUNNING & DIRK SERRIES

dunning serries live cover

GRAHAM DUNNING & DIRK SERRIES – LIVE IN THE LOWLANDS (CDR, Raw Tonk Records)

Invited by Raw Tonk Records’ chief Colin Webster Dirk Serries teamed up with turntablist and sounddesigner Graham Dunning for a series of improvised concerts as part of the Raw Tonk Records’ 5th anniversary events.  From the 3 performances this set features two of them, one at De Ruimte in Amsterdam (The Netherlands) and the other at a jazzclub De Singer in Rijkevorsel (Belgium).  While improvised this definitely moves into different territories : intense soundscapes, drones, bluesy distant guitars and much more.  Now available as pre-order from the Raw Tonk Records bandcamp along with two other live releases.