Month: October 2017

KODIAN TRIO on TROST RECORDS !

TR168_frontcover

“Kodian Trio … blasts through, mashing free improv clicks and clatters with free jazz-inspired hoots and hollers, all wrapped up in a waistcoat of gimlet-eyed punk attitude.” – Paul Margree, We Need No Swords

Improvising power unit Kodian Trio rose from the ashes of a scorching concert at London’s Café Oto in 2015. Following the release of their debut album in 2016 the trio hit the road swiftly becoming major contenders on the fertile and outward-looking European scene.  Kodian Trio comprises of the saxophone and drums pair of Colin Webster and Andrew Lisle – both rising stars of British improvised music, known for their dexterous and uncompromising playing. The trio is completed by Belgian guitarist Dirk Serries – master craftsman of ambient and industrial music who in recent years has turned to improvisation.

In late 2016 Kodian Trio headed back to the Sunnyside studio in Brussels to record this second studio album ‘II’.  The album is now available from the fantastic TROST RECORDS on virgin vinyl and digital.  KODIAN TRIO will tour from February 2018 on.

“Vandaag verschijnt de tweede vinylschijf van het Kodian Trio, simpelweg II geheten en opgenomen in de Sunnyside Studio te Brussel. Het eerste studio-album (I) verscheen begin 2016 bij A New Wave of Jazz en daarna verschenen enkele live-opnamen bij Raw Tonk Records: Live at Paradox op cd-r en Volt/Pletterij op cassette. Het is te hopen dat het verschijnen van II bij het grotere Trost Records zorgt voor meer naamsbekendheid van het trio, want als het gaat om rauwe en intense vrije improvisatie, kent Kodian Trio zijn gelijke niet.

Kodian Trio bestaat uit de Belgische gitarist Dirk Serries, de Engelse saxofonist Colin Webster en de eveneens uit Engeland afkomstige drummer Andrew Lisle. Webster beperkt zich op de nieuwe plaat tot het spelen van altsax. Tijdens concerten speelt het trio lange, volledig geïmproviseerde sets, maar getuige I en het nu verschenen II pakt men de zaken in de studio iets anders aan. En dus horen we op het nieuwe album zes stukken, in lengte variërend van ruim drie en een halve minuut tot elf minuten. Aan titels doet Kodian Trio niet: de stukken zijn genummerd A1 tot en met B3.

Opener ‘A1’ laat horen hoe het drietal al hortend en stotend en weerbarstig tot de mooiste resultaten komt. Serries laat zijn gitaar doorklinken maar dempt ook, Webster sputtert en fragmenteert maar speelt ook lange noten en Lisle voorziet het geheel van afwisselende slagen op snare, basdrum, toms en bekkens. De rauwe energie spat van de muziek af.

Die energie neemt alleen maar toe in ‘A2’. Serries speelt tegendraads, houdt in en haalt uit, en Webster laat horen dat hij op altsax even robuust uit de hoek kan komen als op baritonsax. Uiteraard is de toon wat lichter, maar dat compenseert de Brit door met tomeloze inzet te spelen. Lisle is de niet-verbindende factor als het om zijn spel gaat, want dat is eigenwijs en bij tijd en wijle zeer krachtig, maar toch houdt de drummer het zaakje bij elkaar. Nadat Serries en Lisle halverwege even als duo spelen, neemt de de slagkracht in het vervolg nog verder toe. Met melodieuzer spel van Webster wordt die weer getemperd. Lisle speelt een korte solo, waarna gezamenlijk wordt besloten.

Kodian Trio staat voor veel meer dan energieke vrije impro. Een goed voorbeeld daarvan op II is het eerste gedeelte van ‘A3’. Lisle opent met bedachtzame slagen op de toms en Webster valt in met redelijk ingetogen spel, waarin hij melodieuze lijnen speelt die niet lijken te worden afgemaakt, wat een spannend effect geeft. De energie van het stuk neemt aanzienlijk toe wanneer Serries invalt met donkere en grofkorrelige tonen. Webster verhoogt het tempo van zijn spel en lijkt er in razend tempo vandoor te willen. Hij komt niet weg, want Serries en Lisle blijven hem met vastberaden spel op de hielen zitten. Bijzonder is hoe Lisle zijn spel varieert in tempo en intensiteit en daarbij toch de indruk wekt een duidelijke beweging voorwaarts te maken. Serries fungeert met a-ritmische ingevingen als stoorzender, het zand in de motor dat voor haperingen zorgt, waardoor de muziek van het trio weerspannig en onvoorspelbaar klinkt. Webster keert sputterend op het nest terug, protesterend met alles wat hij in zich heeft. Het slotwoord is voor Lisle, die met een paar krachtige slagen het stuk beëindigt.

Kant 2 opent speels en aftastend. Webster speelt staccato noten, Lisle doet het met hihat en bekkens. Meest aanwezig is echter Serries, die in hoog tempo technieken combineert en zowel vervreemdende effecten als aardse grondtonen produceert. Verderop is het trio vertrokken voor een zowel gezamenlijke als individuele dollemansrit, al blijkt bij dit drietal altijd weer dat wel degelijk controle aanwezig is in de chaotische muzikale passages.

Serries opent ‘B2’ met enkele zwiepende tonen, waarbij hij overigens zijn tegendraadse spel niet loslaat. Webster fladdert om het spel van de gitarist heen terwijl Lisle met brushes op zijn snare de muzikale onderlaag vormt. Gaandeweg worden de open noten minder. Webster en een zeer creatieve Lisle spelen een ingehouden en spannend duet. Wanneer Serries zich weer meldt, wordt het tot dan toe redelijk beheerst klinkende stuk voorzien van een korte luidruchtige finale.

‘B3’, tot slot, laat Webster en Serries horen in een aftastende opening, waarin de lange noten van de saxofonist door de gitarist worden voorzien van zacht ratelend gitaarspel. Webster zoekt het hoge register op en combineert dat met rauwe klanken. Lisle reageert met het leggen van een snel maar zacht ritmisch patroon op voornamelijk bekkens, waarmee hij doorgaat zodra de saxofoon stopt. Webster maakt zuigende en smakkende geluiden en Serries speelt tegendraads maar beheerst. De saxofonist gaat uiteindelijk over op clean en rustig spel en samen met de zachtjes spelende Serries en de met spanning geladen bekkenslagen van Lisle wordt het album besloten.

De tweede studioplaat van Kodian Trio is een album dat de oren op scherp zet en de fantasie prikkelt. Lisle, Serries en Webster voelen elkaar perfect aan, waardoor ieder zijn individuele en eigenwijze spel kan spelen zonder dat dit in de weg staat aan de expressiemogelijkheden van de andere twee muzikanten. De geïmproviseerde muziek is opwindend, spannend, inventief en intens. II is een schitterende plaat die iedere draaibeurt aan glans wint.” Opduvel – The Netherlands

Advertisements

DUNNING & SERRIES

dunning serries live cover

“Voordat de korte tour in Nederland en België in maart van dit jaar van start ging, hadden Graham Dunning en Dirk Serries nog nooit met elkaar gemusiceerd. Hun eerste optreden vond plaats in De Pletterij in Haarlem, maar de opnames voor deze cd-r zijn gemaakt in De Singer in Rijkevorsel (België) en De Ruimte in Amsterdam. De twee muzikanten lijken voor elkaar gemaakt, want de geïmproviseerde stukken klinken ideeënrijk en spannend.

Serries ontpopt zich steeds meer als freejazz-gitarist, maar brengt de bagage die hij heeft als ambient- en drone-muzikant met zich mee. Dat is goed te horen in de samenwerking met Dunning in het eerste stuk (opgenomen in De Singer), waarin de gitaar voor de atmosferische klanken zorgt, een drone neerlegt, waar Dunning met zijn draaitafel, dubplates, galmende effecten en objecten ruisende, krakende, schurende, schuivende en percussieve geluiden aan toevoegt. Dat lijkt at random te gebeuren, maar de draaitafelkunstenaar weet exact waar hij zijn klanken moet plaatsen.

Serries laat het niet bij de constante drone, daar zit beweging in en na verloop van tijd klinkt de gitaar zelfs als in de verte luidende klokken. Dat gaat dan wel gepaard met een lage drone van Dunning, wat een vervreemdend maar ook spannend effect teweegbrengt. Tegen het einde wordt het lastig het onderscheid tussen het spel van Serries en Dunning te onderscheiden en ontstaat een samengaan, dat echter niet vloeiend maar weerbarstig klinkt. De intensiteit neemt tegen het einde enorm toe en mondt uit in een luidruchtige climax.

Het in De Ruimte opgenomen stuk volgt een volledig ander pad. Serries laat de drone achterwege maar produceert korte, soms a-ritmische klanken op zijn gitaar, terwijl Dunning zijn krakende draaitafelgeluiden combineert met percussieve objecten en elektronische effecten. Donkere percussie en ingehouden spel zorgen in dit stuk voor spanning in een verstild gedeelte waarin Serries zijn snaren lichtjes beroert. Dunning strooit met vervreemdende geluiden en Serries gebruikt feedback en donkere en heldere tonen.

Na circa vijftien minuten vinden de beide muzikanten een gezamenlijke muzikale taal, als Serries een gemene drone neerlegt en Dunning daar ook langgerekte klanken tegenover stelt, die overigens vergezeld gaan van kraakjes en ruisjes. Daarna lijken de muzikanten weer afstand te nemen, maar ze verliezen elkaar niet uit het oog. Er is constant interactie en die is ook merkbaar, of zelfs voelbaar, als je het niet ziet. Het Amsterdamse stuk is een abstract, dynamisch en inventief stuk muziek dat de oren steeds opnieuw doet spitsen, ook na ettelijke luisterbeurten.” Opduvel – The Netherlands

Available directly from Raw Tonk Records :

 

VITAL WEEKLY reviews

MARTINA VERHOEVEN & DIRK SERRIES – INNOCENT AS VIRGIN WOOD (CD, A New Wave Of Jazz 2017)

“This week I had this strange vision of ‘free jazz and improvisation is where the money is’, after sending our compadre senor Mulder a whole bundle of music from ActuelleCD, WideEar, Innova and one from  New Wave Of Jazz. Maybe up to 10 or 11 CDs (so allow some patience before reading about them; and yes, no doubt musicians of this kind of music will disagree with my remark about money), but not after checking the content myself, as surely in the case of New Wave Of Jazz, I see the involvement of Dirk
Serries, someone whose work I heard over thirty years ago for the first time, and while I wouldn’t call  myself a fan I followed his work with interest. First as Vidna Obmana, going from a bit of noise to ambient with lots of synthesizers, then as Fears Falls Burning, lots of ambient with a guitar, Microphonies, ditto, and I already picked up the rumour he’s now (also) into very freely improvised music, and this is actually the first time I get to hear too. Well, not entirely the first, as the group effort he’s also send is way more Dolf’s thing and I heard that too, and I thought this would be along similar lines, but I kept listening here and decided to share my (re) view of it. Serries plays here acoustic guitar and Martina Verhoeven plays piano. She is Dirk’s wife and best known for her photography on the cover of many of Serries’ releases, but also on Discogs listed as a bass-player; and piano apparently; for both Serries on acoustic guitar and Verhoeven on the piano it is the first time. On April 9th, 2017, they recorded the five parts of ‘Innocent As Virgin Wood’ together, and I understand the title as homage to the wood of both instruments. They don’t sound, i.e. are virgin, if you don’t play them and are thus
innocent, but of course they are no longer innocent.   I do review a bit of improvised music, perhaps not often of the kind of blearing saxophones and wild banging on piano’s, but more of the kind that is presented by Serries and Verhoeven here. This is very
quiet and thoughtful music, almost impressionistic, with sparse tones hanging freely in the air. Quiet, however, doesn’t equal silence here; there is always something to hear, but Verhoeven and Serries have an excellent control over their instruments (no doubt there have been some playing before the actual recording started to get some feeling for the instruments) to make it held back, controlled and full of tension and interaction between both players. It never becomes hectic or chaotic, but throughout it remains this level of minimalism, even in those sparse moments things go up a bit in volume, or a few more notes are played. This is all very intimate music and exactly the kind of free improvised music I enjoy very much.” Vital Weekly – The Netherlands

YODOK III’s live albums reviewed

Yodok III – The Mountain Of Radiance, of course! *)

Gitara elektryczna, przystawki, przetworniki dźwięku – po lewej stronie sceny, patrząc z perspektywy odbiorcy. Tuba i flugabone (instrument dęty, coś pomiędzy tubą a trąbką) podłączone do amplifikatorów wielkiej mocy, po prawej. Na samym środku, pełnowymiarowy zestaw perkusyjny. Niech taki obraz stanie Wam przed oczami. Być może pomocne okażą się fotografie.

Gitarzysta nazywa się Dirk Serries i na ogół siedzi na krześle, mając swój iskrzący prądem instrument strunowy rozłożony na kolanach. Tubista, to Kristoffer Lo. W trakcie koncertu na ogół klęczy. Obok leży wielka tuba, która jest dramatycznie okablowana. Muzyk dmie w nią właśnie w pozycji na kolanach i manipuluje potencjometrami. Perkusista – Tomas Järmyr zasiada za zestawem bębnów i talerzy. W jego przypadku trudno o inną pozycję.

Formacja zwie się zaś Yodok III. Odpowiedź na pytanie, dlaczego akurat ta rzymska trójka w nazwie, a także dwa słowa o samych muzykach, odnajdziecie w tekście opublikowanym na Trybunie nie dalej, jak cztery tygodnie temu. Tekst dość szczegółowo opisał wówczas katalog sublabelu Tonefloat Records – A New Wave Of Jazz, zaś rozdział poświęcony grupie nosił tytuł Let’s rock and go dark.

Ze strony Pana Redaktora padła wówczas obietnica bliższego przejrzenia się dwóm najnowszym płytom Yodok III, które dostępne są światu od roku ubiegłego. Dziś obietnica ta zostaje spełniona.

Legion Of Radiance – Live At Dokkhuset

Koncert w Dokkhuset (Trondheim, Norwegia), 15 maja 2015. Jeden track o długości 68 minut. Dostarcza Consouling Sounds (CD, 2016).

W mroku, od właściwej strony ciszy, zaczyna się ta opowieść, jak każda zresztą, gdy odpowiedzialnymi za efekt końcowy są muzycy Yodok III. Pierwszy dźwięk, to być może szelest szczoteczek perkusyjnych, może to delikatne skwierczenie wzmacniacza tuby. Gitara na razie na bardzo dalekim planie, zbliża się, warząc każdy swój krok. Pierwsze mikrodrony tuby. Wciąż intensywnie nadstawiamy uszu, by cokolwiek dobyć z otchłani tej groźnej ciszy. Mechaniczny rezonans. Gitara nadal w oddali, rytmiczne szmery perkusyjne. Tomy i werble rozmawiają ze sobą szeptem i knują intrygi. Z kajetu recenzenta: na tle poprzednich nagrań Yodok III, instrumenty są bardziej separatywnie umieszczone w przestrzeni fonicznej i nie lepią się w jeden wielodźwięk. Ale i tak, nawet wyjątkowy zaangażowany słuchacz może mieć problemy z precyzyjnym diagnozowaniem źródeł dźwięku. Lo bezwzględni czyni cuda, przepuszczając dęte pasaże przez kilometrowe zwoje kabli, Järmyr przypomina zaś perkusyjną pozytywkę. Upływa 9 minuta, a muzyka wciąż pozostaje niezwykle cicha. Proces narastania dźwięku bywa żmudny, pracochłonny, ale realizowany jest przez muzyków z iście nordycką precyzją. Kolejne jego etapy kontrapunktowane są przez perkusistę, który funkcjonuje na ekstremalnym pogłosie. Złowieszczo pomrukuje i stawia stopy, robiąc bruzdy w podłodze. Okolice 17 minuty – obecność perkusji w zwoju improwizacji jest już akustycznie namacalna. Tak, definitywnie gra żywe dźwięki! Dwa dronowe źródła dźwięku, na przeciwległych flankach, przeczą jednak realności tej sytuacji scenicznej. 20 minuta – dron gitarowy narasta, jest już na krzywej wznoszącej, tuba kontratakuje, w tle zaś upiorna pozytywka, która trwa niczym niekończący się koncert AMM. Järmyr stawia coraz silniejsze akcenty (stopa!), a my, niezłomni odbiorcy tego muzycznego szaleństwa, atakowani jesteśmy dwoma gęstym zwojami melodii (Serries z lewej, Lo z prawej), repetowanymi z uporem godnym lepszej sprawy. To narracja, która kipi namiętnościami i emocjami każdej serii Twin Peaks, która ma twarz wszystkich wartościowych kochanek, jakie mieliście czelność stracić w swym zbyt długim życiu.

W 25 minucie okazuje się, że tuba, tudzież flugabone potrafią zmysłowo pohałasować. Perkusja jest już tak silnie rozgrzana, że iskry lecą, to w prawo, to w lewo. Gitara buduje zaś foniczny kosmos i wyjątkowo dobrze jej idzie. 30 minuta, to już stan pełnego wrzenia. Dźwięki bulgoczą, płyną, eskalują się. Pogłos sprawia jednak, iż ich industrialny ciężar ma metafizyczną wręcz lekkość, ledwie muska nam bębenki uszne. Po kolejnych pięciu minutach czeka nas delikatne wybrzmienie, narracja spowalnia, a na placu boju zostaje tuba i jej upiorna, ale czysta melodia, powtarzana w nieskończoność. Oczyszczająca moc melodii! Reszta milczy, dyszy, łapie oddech po ustaniu hałasu. A w tle buduje się już nowa narracja. 37 minuta zwiastuje nowy świt! Mocny dron tuby stawia nas do pionu. Na nim wznoszony jest blok skalny nowej improwizacji. Powraca pozytywka (może to sekwenser?), a gitara buduje separatywny dron. Perkusja czeka na przebieg wypadków, ociera pot z czoła. Ta nowa opowieść jest bardziej zadziorna, nawet agresywna fonicznie i początkowo całkowicie wyzbyta melodii. Stopa znaczy teren i porządkuje wydarzenia na scenie. Po 45 minucie rodzą się jednak nowe zarysy melodii, które nakładają się na siebie, jak plastry miodu, a rzeczona stopa dba o poziom cukru (jesteśmy na powrót w dużym już hałasie!). Konwulsyjny drumming pnie się środkiem i rozdziela akustycznie, samoeskalujące się porcje melodii na flankach. Wszyscy pniemy się już po drabinie intensywnie narastających dźwięków! Mija godzina koncertu, a szczyt jest już bliski. Järmyr ma w rękach lejce i gotów jest użyć bata! Noise for ever! Muzycy są wyjątkowo konsekwentni i na pewno zrealizują plan tego wieczoru w 100%! Finał, to już prawdziwa eksplozja bębenków usznych, w idealnej symbiozie z egzystencjalnym oczyszczeniem! Noise makes perfect! Jeszcze tylko orgazm, a potem już same oklaski.

The Mountain Of Void – Live At Roadburn 2016

Koncert w ramach Roadburn Festival 2016 (Tilburg, Holandia). Dokładna data nieznana. Jeden track (CD) lub dwa traki (LP). Około 47 minut. Dostępny dzięki Tonefloat Records (2016).

Part One. Intensywnie, hałaśliwie, wielodźwiękowo od pierwszego oddechu – dość nietypowo, jak na kanony Yodok III. Sprzężenia i interakcje na flankach. Perkusja aktywna od startu, drumminguje niezwykle szeroko w przestrzeni fonicznej koncertu. Gitara i tuba posadowione jakby bliżej siebie. Już po paru chwilach odnotowujemy incydent na kształt solówki na bębnach! Czynionej, dodajmy, na tle połyskujących smołą, wyważonych dronów gitary i tuby. Ta ostatnia emituje środkiem, ma matowe, wręcz elektryczne brzmienie. Narracja toczy się szybko, jakby dotychczasowy Yodok III odtwarzany był na 45 obrotów (słuchamy wersji winylowej, zatem skojarzenie jakże zasadne). Oczywiście sama narracja, tradycyjnie narasta i gęstnieje, ale ów proces nie jest chyba równie spektakularny, jak choćby na płycie wcześniej omówionej. W podstrefach akustycznych, pojawiają się drobne zarysy melodii, ale wszystko odbywa się pod pręgierzem aktywnej pracy perkusyjnej. Muzycy zdają się być mniej cierpliwi, eskalują w pośpiechu, są bardziej pobudzeni, a adrenalina buzuje w ich żyłach. Czyżby gotyccy wyznawcy dark-ambientu trafili na death-metalowy festiwal? 16-17 minuta – improwizacja nabiera rozpędu i popada w energetyczny galop. Wybrzmienie przychodzi dość szybko, niespodziewanie, ale jest tłuste, wielopłaszczyznowe, otwarte stylistycznie, pełne uroczych znaków zapytania.

Part Two. Wyłaniamy się z mgławicy ambientu, zapewne powracamy do stanu na koniec pierwszej strony czarnego krążka. Tym razem dźwięki wyłaniają się z otchłani piekielnej dużo spokojniej, w estetyce bardziej typowej dla tych trzech muzyków, w tej konfiguracji personalnej. Zwinna perkusja, płynna, stabilna fonicznie gitara, eksplodujący, mutowany, ale czysty dźwięk tuby. Cool silent non-anarchy ambient! Pięknie płyniemy, co za widoki! Tuba realizuje urocze pasaże w wysokim rejestrze. Po 15 minucie pierwsza próba niezobowiązującej eskalacji. Napęd daje Tomas, Dirk i Kristoffer zdają się być odrobinę oporni na wiedzę. Ale systematyczna praca procentuje – muzycy spinają się perfekcyjnie. I znów, na finał, wcale nie skromna galopada. Doom more than dark ambient metal! Intrygujące sprzężenia na gryfie gitary, tłumienie emocji przy skomlącej i gasnącej tubie. Szybkie wybrzmienie i … burza oklasków, jak na prawdziwym rockowym koncercie!” Spontaneous Music Tribune – Poland