dikeman/serries duo

New Wave Of Jazz Bandcamp

Pleased to announce that Tonefloat’s New Wave Of Jazz opened up the bandcamp to digital downloads for most of the backcatalog, including a special offering of THE VOID OF EXPANSION‘s live performance at jazzclub De Singer in 2014 as a digital exclusive.

Visit the bandcamp now and support DIY.

 

 

KODIAN QUINTET reviewed

“Het Noordbrabantse Veghel beschikt over een fraai cultuurcluster, gevestigd in een aantal oude fabriekspanden. Binnen dit cluster bevindt zich ook cultuurcafé De Afzakkerij, waar in samenwerking met Kunstgroep De Compagnie en Poppodium De Noordkade concerten worden georganiseerd.  De Compagnie heeft ook oog en oor voor muziekgenres die een wat kleiner publiek aanspreken, en zo staat vanavond het Kodian Trio op het podium in De Afzakkerij, al is dat trio vanavond uitgebreid tot een kwintet.

Het Kodian Trio bestaat uit Colin Webster (saxofoon), Dirk Serries (gitaar) en Andrew Lisle (drums). Twee maanden geleden verscheen van dit drietal de debuut-lp ‘I‘ op het Tonefloat-label en ter gelegenheid daarvan werd een korte tour door Nederland ondernomen, wat het trio o.a. in De Pletterij in Haarlem bracht, waar voor een klein publiek een spannend optreden werd gegeven.

Tegelijkertijd met ‘I’ verscheen op Tonefloat de lp ‘Apparitions’ van het kwartet Dikeman Lisle Serries Webster. Het Kodian Trio plus saxofonist John Dikeman dus. Van hetzelfde viertal verscheen vorig jaar al de cd ‘Live At Cafe Oto’, op Colin Websters label Raw Tonk. De platen tonen twee verschillende zijden van het kwartet: de live-cd de rauwere, robuustere kant en de studio-lp de meer geduldige en beheerste kant. Contrabassiste Martina Verhoeven is de echtgenote van Serries en speelde met hem o.a. in Fantoom, waarvan, eveneens op Tonefloat, vorig jaar de lp ‘Sluimer’ verscheen. Ook is Verhoeven te horen op ‘Cinepalace’ van het trio Serries Verhoeven Webster.

De muzikanten die vanavond op het podium staan zijn dus geen onbekenden van elkaar.

Dikeman trekt als vanzelf de meeste aandacht naar zich toe. Zijn tenorsax klinkt harder door dan de alt waarop Webster vanavond speelt en bovenal is de motoriek van Dikeman opvallend; hij lijkt saxofoon te spelen met zijn hele lijf. Webster mag dan wat minder volume hebben dan Dikeman, dat wil niet zeggen dat zijn spel ondersneeuwt. Integendeel, zijn kenmerkende, soms luisteronvriendelijke maar veelzijdige spel is herkenbaar, ook als hij niet de zware bariton- maar de veel lichtere altsax bespeelt.

Het kwintet speelt twee sets, waarin drie stukken worden gespeeld. Het muzikaal gebodene ligt een beetje tussen de twee hiervoor genoemde platen van het kwartet Dikeman Lisle Serries Webster in. Enerzijds is er het aftastende, zoekende spel, maar ook zijn er momenten waarop flink van leer wordt getrokken en herrie wordt geschopt. Verhoeven speelt vaak spaarzaam en dienstbaar, gebruikmakend van een beperkt aantal noten. Dat is slechts anders in twee korte duo-gedeelten, met Lisle en met Serries. De Engelse drummer is een feest om naar te luisteren maar vooral ook om naar te kijken. Hij lijkt bijna gedachteloos, nonchalant te spelen maar weet met mooie vondsten de juiste textuur aan te brengen in de wringende muziek.

Serries’ gitaarspel komt in de kwintetbezetting wat minder naar voren dan in het Kodian Trio zonder aanvulling. Afwezig is hij echter geenszins. Zittend op zijn stoel, gitaar vaak op schoot en het instrument bewerkend met strijkstok of schroevendraaier is hij zowel bindmiddel als een stem op zichzelf. In het laatste geval is zijn spel expressief maar opvallenderwijs minder percussief dan twee maanden geleden in Haarlem.

De muziek van het Kodian Trio + 2 is niet voor iedereen. Gaandeweg, en met name tegen het einde van het optreden komen mensen binnen die niet voor het concert zijn gekomen en dat zorgt voor wat gedruis op de achtergrond. De liefhebbers vooraan zijn echter getuige van mooi concert van een vijftal muzikanten dat elkaar, soms los van elkaar improviserend, steeds opnieuw weet te vinden en zo in alle individuele vondsten samenhang weet aan te brengen.” Opduvel – The Netherlands

Enola reviews

“Zeventien maanden geleden speelden John Dikeman, William Parker en Hamid Drake de pannen van het dak in wijlen La Resistenza. Een knap concert dat een vervolg kreeg tijdens een tweede tour de langs Gent passeerde. Terwijl de cds met opnames van vorig jaar nog geassembleerd werden, besloten de drie om de lat nog wat hoger te leggen.

Maar eerst gitaarveteraan Dirk Serries, die zich een tijd geleden bekeerde tot de vrije improvisatie, intussen een hoofdader van z’n werk die al net zo’n productiviteit oplevert als zijn meer klassieke gitaarminimalisme. Met een kersvers album met John Dikeman en Steve Noble, en een paar nieuwe die er binnenkort aankomen, vond de man het gepaste moment om in Gent zijn eerste geïmproviseerde soloconcert te spelen. Of toch gedeeltelijk, want voor de tweede helft van zijn korte set werd hij bijgestaan door Jan Daelman (o.a. Keeenroh) op fluit.

Het was een hele andere gedaante die we te horen kregen, met grillig en wringend gekrabbel en getrek, veel meer in een post-Bailey traditie dan iets dan ook maar iets met jazz te maken heeft. Dit was een onrustige stream-of-consciousness-sessie waarbij ’s mans bekende monnikengeduld de afwezige was. Je werd meteen in een wereld zonder houvast gedropt. Maar helemaal breken met het verleden gebeurde niet: plotsklaps werd overgeschakeld op een drone, die vervolgens aangewend werd om ook de strijkstok boven te halen.

De ascese was plots een stuk dichterbij, maar kreeg een andere context, de drone leek samen te vlechten met improvisatie, maar ook een pastorale insteek. Viel de drone weg, dan was dat het signaal Jan Daelman om er een conversatie van te maken. Hijgend en sputterend, blazend op het uiteinde van een fluit, iets later meer ingetogen en melodieus op een traditioneel gespeelde dwarsfluit. Merkwaardige combinatie, maar het gekapte en kribbelende gefluister van Serries was een intrigerend contrast met een schizofrene geluid van Daelman, dat de verwarring van een droomsequens koppelde aan een einde dat haast frivool klonk. En dan zat het er ineens ook op, nog voor de gewenning kon intreden. Uitkijken naar het vervolg.

Iets dat bij John Dikeman elke keer weer opvalt, is zijn gretigheid. Die kerel wil gewoon spelen, of het nu gebeurt nu een DIY-kot met de kornuiten van Cactus Truck of in een jazzclub met een stel grootheden. Onlangs trok hij nog voor een paar weken door Rusland, wat opnieuw resulteerde in een handvolredelijk surreële taferelen (denk bvb. in de richting van ‘freejazz + winkelcentrum + fontein’, of zoek het eens op via google). Dikeman is een man van de ‘verwacht niks, geef alles’-school, wat het dan ook zo boeiend maakt om hem te zien in combinatie met een paar muzikale leeuwentemmers die niet terugdeinzen voor wat hysterisch geharrewar..

Net als vorig jaar hield Dikeman zich niet in, begon hij meteen aan een gedreven en intense improvisatietocht, al duurde het misschien langer voor hij het extreme register ging opzoeken. Het vloeide er snel uit, met een vlammende, vliegende start. En het samenspel ging meteen rollen en het zou eigenlijk ook blijven rollen. Zelfs als Dikeman in het verweer ging tegen het soulvol in elkaar hakende spel van William Parker en Hamid Drake, dan nog bleef die muziek vooruitgaan met een immense stuwing. En het was geen tien minuten bezig en we hadden al het woord ‘episch’ genoteerd, want zo klonk het ook, het was de wil om te overstijgen en de muziek nam een prachtige vlucht.

De kwaliteiten van de ritmsesectie kwamen daarbij nog beter uit de verf dan vorig jaar. Niet omdat Dikeman deze keer afhaakte, maar omdat Parker en Drake het touw nog nadrukkelijker naar zich toetrokken. Een eerste bas- en drumpassage legde meteen die machtige synergie bloot, een organisch spektakel, dat Dikeman na een tijd doormidden spleet door te gaan postvatten naast Parker. Een solo van Drake putte dan weer uit zijn hele arsenaal, en weer viel op hoe moeiteloos dat allemaal ging, hoe die man het ritme door z’n lichaam heeft stromen. Er zaten in het concert meerdere momenten met een verslavende, sensuele groove. Soms lag die er dik op, en dan zou je willen dat ze er een heel concert aan zouden ophangen, maar net zo vaak werd die via een omweg geïntroduceerd, en dan zag je de koppen na een tijd collectief meewiegen of – hier en daar – driftig heen en weer zwieren. Dit was geen denkoefening voor kinkrabbers, maar een feest voor de oren en het lichaam.

Even kreeg de muziek een Afrikaanse toets, en misschien was dat een voorbode van de wending die eraan stond te komen, want een catchy basfiguur kreeg hier niet de loodzware omkadering die het gehad zou hebben bij, pakweg, het David S. Ware Quartet, maar een uitbundige, lijfelijke en volkse aanpak. Een tweede duopassage van de ritmesectie, waarvoor Parker overgeschakelde op een houten of bamboefluit (en later een van zijn exotische double reeds), luidde een lange passage in die zich even afkeerde van de meer klassieke, woelige freejazz. Hier belandden we plots op het terrein van het ritme, het tribale en het theatrale. Het werd een conversatie tussen ritme en fluit, maar ook ritme en stem, sax en uitgestote kreten.

Zeker toen Drake overschakelde op frame drum en zang (altijd goed voor een bijzonder moment), was de hypnose compleet, werd er diep in een ritualistische wereld gedoken, aangesloten bij iets dan aanvoelde als een eeuwenoude traditie. Een enorm verschil met de vlammende aanloop van het concert, maar de manier waarop het trio, en de ritmesectie in het bijzonder, had toegewerkt naar die passage, was meesterlijk. Voor Dikeman zat er soms niet meer op dan even toekijken en laten begaan, maar dat deerde ook niet. Hij voelde niet langer de behoefte om alles vol te spelen, en dat siert hem ook. Hij weet intussen perfect zijn moment te kiezen (en af te wachten, indien nodig), en als hij dan terugkeerde met opzwepende kreten, dan was dat ook op het juiste moment, en goed voor een wending naar het centrum waarom volkse elementen en freejazz energie elkaar op de tast vonden.

Het was even samen stampen en steigeren en galopperen, een vitale en energieke dans van vrije muziek, maar afsluiten gebeurde dan weer met een minder ontvlambare, smeulende bluespassage die een losse groove stilletjes uit elkaar liet vallen. Samen met de bisronde, een korte en open passage waarin Parker en Drake terugkeerden naar het ritualistische element, was het een prachtig einde voor een concert dat vooral opviel door een magistrale samenhang en een consistent aangehouden focus. De duur van het vorige concert werd gehalveerd, maar dat deerde niet.

Die fenomenale ritmesectie bouwde al een bijzondere verhouding op met een paar saxofonisten, en met Dikeman mag wat ons betreft al toegevoegd worden aan het rijtje. Dit was een topconcert dat nog maar eens aantoonde dat er geen beperkingen zijn als alle stukjes op hun plaats vallen. En zo gebeurde het, dat er in een halfleeg S.M.A.K., dat meer leek op een bouwwerf dan op een museum, en waar het nog geurde naar vers pleisterwerk, ladders half bedekt werden met dekens en hier en daar een paar staande lampen en bloempotten opgesteld waren, iets in de lucht hing dat we bij gebrek aan een uitgebreidere woordenschat enkel kunnen omschrijven als magie.” Enola – Belgium

Draai Om Je Oren reviews

THE VOID OF EXPANSION – Ashes And Blues (LP, Tonefloat’s New Wave Of Jazz 2014)
DIKEMAN/SERRIES – Cult Exposure (LP, Tonefloat’s New Wave Of Jazz 2015)

“The Void of Expansion, het duo van gitarist Dirk Serries en slagwerker Tomas Järmyr, ontstond in de slipstream van hun gezamenlijke project Yodok III, gevormd in 2013 (met naast Serries en Järmyr ook Kristoffer Lo op tuba). Na twee concerten in Kortrijk (13-02) en Rijkevorsel (14-02) dook het gezelschap op 15 februari in Brussel de studio in en leverde ‘Ashes And Blues’ af. In het openingsnummer ‘Paradox’ begint Serries met sterk vervormd gitaarspel, als een naderende onweersbui bouwt hij zijn melodie op. Op de achtergrond horen we Järmyr zijn eerste roffels geven en zijn bekkens beroeren. Terwijl het slagwerk in kracht toeneemt, begint het gitaarspel van Serries steeds meer op een ontregelde machine te lijken. En dan valt het geheel vrijwel stil en in hemelse klanken gaat het over in ‘Demper’, dat even verstild aanvangt, waarbij de klank van de gitaar iedere keer héél kort wordt onderbroken, als een flakkerende kaars. Het geeft iets onwezenlijks aan het nummer. Overigens loopt ook hier de spanning geleidelijk op, mede door Serries gruizige gitaarspel. Maar ook Järmyr laat zich hier niet onbetuigd en grossiert in dreunende roffels, een muur van geluid optrekkend. In ‘Consecration’ klinkt Serries’ gitaarspel aanvankelijk lichter, transparanter en contrasteert zo goed met Järmyr’s redelijk duister klinkende slagwerk. Halverwege schakelt Serries echter zijn klankkastje weer in en laat zijn gitaar naar hartenlust gieren en janken. Als een alles verzengende vuurzee raast het duo voort, om even zo onverwachts de verstilling terug te laten keren.

Tijdens het concert een dag later, 16 februari, in Veghel, schuift John Dikeman aan bij het duo. Deze samenwerking leidt later dat jaar tot de opnames die dit jaar uitkwamen onder de titel ‘Cult Exposure’. ‘The Monolith Song’ begint met een voor John Dikeman kenmerkende solo: intens, rauw en overrompelend en tegelijkertijd intiem en fragiel. Serries komt erbij met een aantal sterk overstuurde gitaaraanslagen, de dramatische uithalen van Dikeman als het ware inkaderend. In het titelnummer gebruikt Serries distortion, waarbij de muziek – net als in ‘Consecration’ op het album van The Void Of Expansion – klinkt als een flakkerende kaars. Alleen is het hier experimenteler, het effect extremer. Maar het past Dikeman als kader uitstekend. Met heftig, springerig saxspel gaat hij de uitdaging aan. Het levert een levendig duet op, waarbij beide musici laten horen aan elkaar gewaagd te zijn.

‘Whisper Edge’ doet denken aan de stijl waarmee Serries bekend is geworden: ambient. Gelijkmatige klankgolven uit Serries’ gitaar worden subtiel ondersteund door knisperend saxspel van Dikeman. Zoveel subtiliteit en intensiteit verrast na twee behoorlijk intensieve nummers op kant A. De drone die Serries verderop in het nummer produceert, inspireert Dikeman tot een solo die door merg en been gaat. Schel, scherp, klagelijk en ongenaakbaar.” Draai Om je Oren – The Netherlands

DIKEMAN/SERRIES

“Rating : ****1/2. This is a fascinating recording – it captures a captivating blend of John Dikeman’s incredibly powerful saxophone and Dirk Serries expressionistic electric guitar. The tracks are aptly titled: ‘Monolith Song I’, which opens the recording and ‘Monolith Song II’ which closes it, are huge moving masses of sound. Serries creates a distorted and textured slabs as Dikeman builds up layers of fiery improvisations. The title track takes a more nuanced and melodic approach as the guitar is pulled back in the mix and the saxophonist spins a emotional tale. Cult Exposure is an LP release with an MP3 download – but not sold separately – get it while if you can.” Freejazz Blog

Enola reviews DIKEMAN/AQUARIUS/SERRIES

DIKEMAN AQUARIUS SERRIES at Kinkystar 1 DIKEMAN AQUARIUS SERRIES at Kinkystar 2  DIKEMAN AQUARIUS SERRIES at Kinkystar 4 DIKEMAN AQUARIUS SERRIES at Kinkystar 5

“Dat vrij geïmproviseerde muziek niet altijd leidt tot organisch vloeiend verkeer (of het nu gaat om een mijmerende droom of een wentelende tornado), werd woensdagavond bewezen door drie kerels die het elkaar niet bepaald makkelijk maakten. Het wrong en schuurde een eindje weg, was vast voer voor uitgebreide discussies achteraf, maar vooral ook een echte stap voorbij het comfort, inclusief alle voor- en nadelen die daarbij horen.

Sinds gitarist Dirk Serries zijn vaste thuisbasis – die van de traag ontvouwende gitaarsculpturen – is beginnen aanvullen met uitstapjes richting vrije improvisatie, is zijn productiviteit er niet bepaald op achteruit gegaan. Het leidde intussen al tot een samenwerking met een resem tenoren uit binnen- en buitenland, waarvan de Amerikaanse Amsterdammer John Dikeman (Cactus Truck, Universal Indians) ongetwijfeld een van de meest opmerkelijke is. De twee namen een album (Cult Exposure) op dat zich zowat in het midden ophield tussen de bezwerende gitaarmantra’s van Serries en de extatische freejazz van Dikeman. Een opvallend nieuw geluid, waarbij elk misschien niet zozeer vasthield aan bekende tactieken, maar wel een eigen sound.

De duosamenwerking kreeg snel een paar concertvervolgen met intussen al vier verschillende drummers. De eerste was Tomas Järmyr, die Serries al kende van Yodok III en – opnieuw – een duoproject (The Void Of Expansion). Dan volgde Teun Verbruggen (ook al te horen met Serries in duo als Art Of Cosmic Musings) en onlangs nog Onno Govaert (Cactus Truck) voor een handvol concerten. Nu was het de beurt aan René Aquarius, helft van het Nijmeegse terreurduo Dead Neanderthals en opnieuw een muzikant met een heel andere achtergrond, waarin vrije improvisatie gelijke tred houdt met noise, freejazz, grindcore en allerhande experimentele afbraaktechnieken.

Meteen viel ook op dat Aquarius daadwerkelijk anders klinkt dan zijn voorgangers. Järmyr is organischer, Verbruggen zorgt voor ononderbroken nervositeit en detailspel, Govaert liet een overkoepelde flow en intuïtie horen. Aquarius is ongeduldiger en reageert extremer. Samen met Dikeman leidde het herhaaldelijk tot turbulente interactie op het kruispunt van de punkjazz, met ratelend gehamer, kletsende cimbalen, knallende kick drum en natuurlijk dat hysterische blaaswerk van de saxofonist, dat nog altijd zorgt voor een viscerale impact die door weinigen van weerwoord voorzien kan worden. Tegelijkertijd was het fijn om te horen dat die Aquarius vanuit een andere hoek komt. Die snare drum sound alleen al lijkt zo uit oude grindcore-platen te komen, terwijl zijn op de trommelspel voortdurend volgestouwd wordt met die vlugge ra-ta-tat-salvo’s.

Ondanks de grillige insteek hadden de vorige albums en concerten met Serries toch een duidelijk lijn en een consistentie die zorgde voor een trance-effect. Dat was nu wel even anders. De gitarist koos deze keer immers niet enkel voor de zo bekende loops en breed uitwaaierende gitaargolven, maar ging zich een paar keer te buiten aan allerhande atonale ontregeling, o.m. met een schroevendraaier en een strijkstok (al was die variatie door een te laag volume jammer genoeg niet altijd hoorbaar), wat tot gevolg had dat het oog van de storm dat doorgaans een schijn van controle hoog houdt, nu afwezig was. Deze combinatie klonk dan ook een stuk grilliger dan verwacht.

Het werd Serries dan ook niet makkelijk gemaakt. Krijgt die normaal volop de tijd en de ruimte om zijn spel rustig te laten ontwikkelen, dan werd hij langs twee kanten belaagd en voortdurend gedwongen om die uitgetekende plannen voortijdig te laten varen. Dat zorgde ervoor dat het concert lange tijd gedomineerd werd door een wringende spanning op het randje van de implosie, zeker toen Aquarius minutenlang een kale, maar oorverdovende reeks slagen aanhield. Ook voor Dikeman was dat duidelijk wennen. Is het normaal al een uitdaging om zijn weg te vinden in een massief blok, dan werd de tegendraadsheid hem al uit handen genomen. Misschien dat hij daardoor regelmatig koos voor een meer conventionele (nu ja) aanpak, door in te zetten op meer harmonieus spel met soms een verrassende gevoeligheid. Alsof hij de brokken van de bijna spaak gelopen relatie naast hem wilde lijmen.

Niet dat het daarom afliep op een sisser. Het was eigenlijk een treffend voorbeeld van een stel muzikanten die de valkuil van het comfort wilden mijden, de boel radicaal omgooiden en daardoor het risico liepen onherroepelijk op hun bek te gaan. Maar liever dat dan zich te nestelen in al te aardig heen-en-weerverkeer. Het werd dus geen mislukking, al was het wel even spannend toekijken hoe de verhoudingen moeizaam hersteld werden en naar oplossingen gezocht werd. Daarbij werden de rollen even op z’n kop gezet, met Dikeman die aangewezen was op volgen en Serries die al helemaal opgejaagd werd en vermoedelijk nog maar zelden zo hard gedwongen werd om de controle los te laten. En Aquarius, de joker van het stel, die zat ernaar te kijken met een sardonische glimlach, in het besef dat z’n opzet geslaagd was. Het was balanceren op de dunne grens tussen een uitdagend avontuur en een kamikazevlucht. En zo hoort dat af en toe ook te zijn in die vrije improvisatie. Levende, lillende muziek, met het recht – of nee: de plicht – om het boeltje grondig overhoop te gooien.” Enola – Belgium

Photos by Geert Vandepoele.