Kodian Trio

VITAL WEEKLY reviews

DIRK SERRIES – EPITAPH (2CD by Consouling Sounds)
DIRK SERRIES & COLIN WEBSTER – GARGOYLES (CD by Raw Tonk Records)

“While the title ‘Epitaph’ suggests something else, Dirk Serries says goodbye to ambient, but only for now. On the cover he writes that he has been producing ‘vintage ambient’ (his words) for thirty years and that was as Vidna Obmana when he used synthesizers, and with a guitar as Fear Falls Burning and later on under his given name, but it’s time to move on new challenges. Perhaps a bit odd, me think, that he says on the cover “Epitaph is therefore my finest collection of ambient pieces to date”.
The word ‘therefore’ seems a bit odd, and also to say this is the finest could mean the rest of his previous, vast output isn’t as good? Armed with a guitar and sound effects and playing it lived, going straight into the computer. Ten pieces, spanning some ninety minutes of music and Serries delivers what he can do so well, indeed for thirty years. Long sustaining pieces of guitar music, which could just as easily pass on as something played on a synthesizer. And sometimes it sounds indeed very much like a guitar indeed, such as in ‘Formations Of Grace’. Serries waves together long form tones and it moves glacier like around. Slow and massive. Is this the finest collection to date of his ambient
music? I find that very hard to say. Over the years I heard a lot of music by Vidna Obmana, even when it was still hard-core noise in the mid 80s, and also quite some Fear Falls Burning, yet not all of it, so who am I to tell if this is the finest? It is however a very solid work, with Serries knowing exactly what he does and he does that very well, but he has been delivering consistent high quality ambient for many years. He leaves (if he leaves at all, of course) ambient on a very high note.

So what is Serries going to do? That is a bit of a rhetorical question as we already know that since a couple of years he’s also into producing improvised music (see also Vital Weekly 1110 and 1101 for more work in that direction) and one of the persons he regularly plays with is Colin Webster, who handles alto and baritone saxophones. On June 11th 2017 the two of the met up in a studio in London and recorded the seventeen pieces on ‘Gargoyles’. That may sound like a lot of music, but it all happens within the space of twenty-seven minutes. The shortest is 1:01 and the longest 2:20; that is almost punk rock like, and while some of this is certainly chaotic and strange, I don’t think the two set out to create something wild necessarily. It is more about to create something full energy within a very limited time span. There is something Zen like about it. A controlled burst of energy if you will and once that is done, it is time for the next one. The level of control is also to be found within the use of the instruments. Both are recognizable as guitar (without many effects, I would think) and the saxophones,
but especially Serries doesn’t play his teacher ever told him (assuming he had a teacher of course).  Scratching, plucking and hitting, mainly on the fret board, while Webster plays mostly short notes, fierce and loud, or introspective and spacious. Everything is recorded in a very direct way, which makes that the music is very much in your face, but that is what makes this also quite enjoyable. This is overall an excellent improvisation duet.” Vital Weekly – The Netherlands

Advertisements

GARGOYLES reviewed on OPDUVEL

“Twee muzikanten die zich bewegen in de Britse en Europese vrije improvisatie maken voor het eerst als duo muziek op Gargoyles. Onbekenden van elkaar zijn het allerminst. De Belgische gitarist Dirk Serries en de Engelse saxofonist Colin Webster zijn vaak in elkaars gezelschap te vinden, zoals onlangs nog in het Tonus-project van Serries, een minimalistische verkenning van geluid, of in het Kodian Trio, waarin plaats is voor een meer expressieve kant van de vrije improvisatie.

Serries en Webster vormen samen tweederde van het Kodian Trio (derde lid is drummer Andrew Lisle), maar dat betekent niet dat we de duoplaat kunnen zien als Kodian Trio min één. Zet bij dat trio een of meer muzikanten (John Dikeman, Martina Verhoeven, Alan Wilkinson) en je hebt direct een heel andere dynamiek; de manier waarop de muzikanten op elkaar reageren levert echt andere muziek op.

Dat geldt dus ook als je een muzikant van het Kodian Trio weglaat. Webster en Lisle maakten al een paar opnamen waarop dat goed te horen is, en het geldt in nog sterkere mate voor het duo Serries/Webster. Natuurlijk is beider speelstijl goed te herkennen, maar de interactie tussen de twee improvisatoren zonder drummer is echt verschillend dan met slagwerker. En hoe hoekig de muziek ook is, die klinkt toch ook verfrissend.

Websters technieken op saxofoon blijven verbazen en dat doet hij ook op Gargoyles, waar hij er op los pruttelt, sputtert, smakt en zuigt. Van een portie noise is de Brit nooit vies geweest en ook daarvan zijn wat staaltjes te horen op het album. Dirk Serries neemt steeds meer afstand van zijn ambient-verleden. Binnenkort verschijnt Epitaph, een laatste solo-ambient plaat, waarmee hij een streep zet onder die carrière.

Wat daarvoor in de plaats komt, contrasteert daarmee behoorlijk, want de gestructureerde muziek met lange gitaardrones maakt plaats voor gitaarspel waarin Serries juist niet in structuren denkt, maar zich in het moment bevindt. Lange lijnen lijken uit den boze, ten faveure van onderzoekend spel dat gepaard gaat met horten en stoten, met beweeglijke, soms ultrakorte motiefjes en met experimentele geluiden die vrijmoedig en bruusk kunnen klinken.

Serries en Webster kiezen op Gargoyles voor het kortebaanwerk; het album bevat zeventien spritsige improvisaties die bij elkaar zevenentwintig minuten in beslag nemen. Sommige stukken zijn voorbij voordat je doorhebt wat er gebeurt. Webster horen we op alt- en baritonsax. Elk stuk heeft zijn eigen kenmerken, maar overeenkomst is hoe het tweetal het individuele spel op elkaar afstemt op zodanige wijze, dat je vaak niet hoort wie op wie reageert. Het gebeurt gewoon gelijktijdig.

De saxofoon is een instrument dat al gauw naar voren komt als leidend. Zo niet bij Serries en Webster; de gitaar komt even sterk door. De muzikanten vormen elkaars tegenhanger, dagen elkaar uit, schuren langs elkaar heen. Soms wringt het, soms contrasteert het en soms benaderen ze elkaars sound. Vooral Serries is een meester in het niet afmaken van zinnen. En toch is zijn spel niet fragmentarisch. Wel impulsief en kwiek, maar in ieder stuk zit er een weliswaar spontaan, maar duidelijk idee achter.

De muziek van Serries en Webster is tegendraads en eigenwijs. Aan het de luisteraar behaaglijk maken hebben zij een broertje dood. In ‘Chimera’, ‘Organ’ en ‘Throne’ komt het duo in de buurt van harde noise. Je zou de muziek extreem kunnen noemen, en voor de argeloze luisteraar is het dat waarschijnlijk ook, maar de speelsheid en de frisse spontane ideeën zorgen ervoor dat het plezier dat de muzikanten met hun improvisaties uitstralen, aanstekelijk werkt.

Het Raw Tonk-label, waar dit album op is verschenen, grossiert in ongepolijste vrije improvisatie, freejazz en noise. De catalogus van het label bevat al de nodige ruwe pareltjes, maar dit is een van de beste releases tot nu toe. Serries en Webster zijn sublieme sparringpartners. Voor wie zijn muziek graag onregelmatig, bedrijvig, grofkorrelig en hoekig heeft, is dit een ideaal plaatje.” Opduvel – The Netherlands

KODIAN TRIO – II reviewed

b1768-kodian2btrio

“The Kodian Trio – that’s Colin Webster, Dirk Serries and Andrew Lisle – have just finished a mini-tour of the UK and lowland Europe. You didn’t catch ’em? Aah well, at least there’s this scorcher of a record to keep you going.

Released on the mighty Trost label, it is furious, gnarly and intricate. Andrew Lisle lays out some darned algorithmic percussion grids that poke the listening brain into new shapes, while Dirk Serries spews out typically sulphuric belches of barbed wire guitar.

Elbowing between that pair is Colin Webster, his astringent honks and squeals bellowing out like a series of abstract, teeth-grinding sermons.

This lot are a bit more free-jazz oriented than Webster’s groupings with David Birchall, Andrew Cheetham, Otto Wilberg and the like. But it’s tough without being boorish, lairy without being toxic. Like a dose of chili sauce for earholes, with the accompanying sweaty adrenaline rush. Testify!” We Need No Swords – UK

 

GARGOYLES

gargoyles

Brandnew on RAW TONK RECORDS is the duality between sax player Colin Webster and electric guitarist Dirk Serries.  Gargoyles is the duo that pushes the envelope even further in their ongoing collaborations (KODIAN  TRIO, TONUS, etc.).  Abstract, microscopic and utterly dynamic and in your face.  This is improvisation on the edge of everything.

The album is now available from Raw Tonk Records through their bandcamp.

KODIAN TRIO back on tour

26329504348_dc2f0cdb69_o

KODIAN TRIO (Colin Webster – alto sax, Andrew Lisle – drums, Dirk Serries – electric guitar) will be back on the road through Germany, The Netherlands, Belgium and the UK.

March 22nd 2018 – Djäzz, Duisburg (Germany)
March 23rd 2018 – Jazzblazzt, Neeritter (The Netherlands)
March 24th 2018 – White Noise Studio Session, Winterswijk (The Netherlands)
March 25th 2018 – De Audio Plant, Antwerpen (Belgium)
March 30th 2018 – New River Studios, London (UK)
March 31st 2018 – Salt Café, Bristol (UK)
April 1st 2018 – Bridge Hotel, Newcastle (UK)

Check out this short video live at Het Bos, Antwerpen (Belgium) :

 

 

 

Jazzword Reviews

QUARTET & QUINTET – DOUBLE VORTEX (2xCD, New Wave Of Jazz 2017)

“Without a tinge of nostalgia, this two-CD set of saxophone-heavy improvisations still brings up memories of the 1960s heyday of the New Thing when extended and exploratory free-for-all sessions were the norm. With the possible exception of Belgian guitarist Dirk Serries, who is far more nuanced player than any six-stringer of those times, the blasting wind power from the reeds could fit in with Albert Ayler and Charles Tyler’s Judson Hall date or Willem Breuker’s, Evan Parker’s and Peter Brötzmann’s playing on the Machine Gun LP.

Recorded live at London’s Vortex Jazz Club, each CD is an extended self-contained improvisation, whose main difference is the second-disc addition of a third voice – veteran British alto and baritone saxophonist Alan Wilkinson – to the core band of Serries, UK drummer Andrew Lisle and fellow Brit, alto and baritone saxophonist Colin Webster, who constitute the Kodian trio, plus American tenor saxophonist John Dikeman. Collectively the musicians have worked in various ensembles with bassists Simon H. Fell, William Parker and John Edwards; drummers Paul Hession, Steve Noble and Hamid Drake among many others, making them ready for anything.

Serries whose other affiliations include Rock and noise bands, sets the tone with a, slashing, knob-twisting introduction on CD1 and maintains an intermittent affiliated buzzing, that mixed with Lisle’s backbeat drumming provide the landscape upon which Dikeman’s and Webster’s timbral extensions are given free range. Glossolalia, freak notes, growls and grunts are some of the intense vibrations regularly propelled by the saxophonists. Off-centre baritone sax snorts coupled with guitar-string vibrations slow the tempo slightly mid-way through, leaving space for an archeological-style examination of his horn’s limits by Dikeman. Transcending a related trope from Webster’s alto saxophone, Lisle’s gong resonation and Serries’ echoing strums presage the improvisation’s final sequences which meld the exploratory and the grounded. Triggered reed blasts and squeezed altissimo noises become less pressurized as harsh guitar flanges signal the ending.

Ten minutes longer and with Wilkinson added CD2 begins with massed triples saxophone kinetics and works itself into a crescendo of interlocked reed screams and pointed guitar crunches. Layered but mercurial the stacked horn vibrations soon separate into individual showcases. Unaccompanied, Dikeman launches screeching tenor tongues tone repetitions into orbit; on baritone Webster snorts out sly variations on the non-existence theme; while Wilkinson’s flutter-tongued exposition moves from tension-ridden to tender. However, drum rolls and pops prevent the multi-directional reed vamps from destroying any semblance of linear movement, although it takes a downshifting of the guitar lines from slashing flanges to reflective tones to further moderate the performance. Like bratty children skirting a parental time-out, another crescendo is reached when the saxophonist contrapuntally challenge the rhythm section with more extended, layered and often tandem expositions, deconstructing and reconstructing the narrative and encompassing flattement, mouthpiece-removed wah-wahs and gooey-thick basso lows. Eventually Serries’ crunching runs triumph over reed distortions to unite the group into a moderated ending.

Quicksilver timbral excitement for the 21st Century these two improvisations demonstrate that NewThing echoes can remains modern and distinct. Done right, a hearty buzz of unbridled elation still bubbles from this sound stimulation.” Ken Waxman/Jazzword – Canada

QUARTET & QUINTET reviewed

“Ondertussen zal iedereen die een beetje actief luistert naar de zijkanten van de hedendaagse Belgische muziek al hebben gehoord van Dirk Serries. Actief sinds het begin van de jaren 1980 met vooral ambientprojecten en sinds een paar jaar de koerswijziging richting all things jazz gaan we ervan uit dat zijn naam, en zijn muzikale geschiedenis, ondertussen in grote lijnen gemeengoed is geworden. Niet dat Serries het altijd zo makkelijk maakt, door de grote waaier aan projecten met bijbehorende naam die hij hanteert. Zoals deze dubbelcd, Quartet & Quintet. Uiteraard verwijst de bandnaam naar de samenstelling voor de beide sessies.

Cd 1 bevat Session 1 en wordt muzikaal vorm gegeven door een kwartet. Dat bestaat uiteraard uit Dirk Serries (elektrische gitaar), John Dikeman (tenorsaxofoon), Andrew Lisle (drums) en Colin Webster (altsaxofoon en baritonsaxofoon). Cd 2 bevat Session 2 waarop het kwartet wordt aangevuld met Alan Wilkinson (altsaxofoon en baritonsaxofoon). De bezetting verraadt al een beetje dat het hier geen ambient betreft, evenmin als softe of gemakkelijk toegankelijke jazz.

Ieder van de deelnemers heeft al naam gemaakt in de luidruchtige (freak- of free-)jazzy scène en elk bewijst dat daar grondige redenen voor zijn aan te voeren. Het verbaast evenmin dat het vooral de blazers zijn die het laken naar zich toe trekken. De drums van Lisles zijn soms uitdrukkelijk aanwezig, maar hebben hier en daar weingig in te brengen. Opboksen tegen een duo of trio blazers die zich willen laten gelden, is dan ook geen evidentie.

De gitaar van Serries moet het nog meer ontgelden. We horen slechts sporadisch de gitaar op de voorgrond treden. Als we ze echter horen, klinkt ze helemaal anders dan we van Serries gewend zijn. Geen drones of gemanipuleerd geluid, maar pure hakkende aanslagen op de snaren. En dat past wonderwel tussen het geweld van de overige deelnemers.

Beide cd’s bevatten slechts 1 nummer, telkens neigend naar de drie kwartier, waarbij het kwartet zich net iets meer inhoudt dan het overweldigende geluid van het kwintet. Alsof de drie tenoren (Dikeman, Webster en Wilkinson) hun ego niet willen laten aftroeven en dus voluit aan het toeteren slaan.

Beide sessies werden live gespeeld en opgenomen in de Vortex Jazz Club in Londen op 8 februari 2017, een jaar geleden dus. De kwaliteit van de opnames en de intensiteit waarmee wordt gemusiceerd, al dan niet allemaal tezamen of in duo’s, trio’s en kwartetten de strijd met elkaar aangaand, laat toe om met de ogen toe in te beelden dat je zelf op de eerste rij stond bij deze twee opeenvolgende concerten. Voor vrije geesten weliswaar, waneer soms alles op de rand van een kakafonie klinkt. Een leuke dan wel, en geen carnavalshoempapa.” Luminious Dash – Belgium

Jazzarium reviews

GRAHAM DUNNING & DIRK SERRIES – Live In The Lowlands (CDr, Raw Tonk Records)

“Dwa kolejne dni marca, ponownie dwa koncerty na jednym dysku (jeden z Belgii, drugi z Holandii). Na blisko 50 minut oddajemy nasze uszy we władanie duetu: Graham Dunning (turntable, dubplates, spring reverbs, objects) & Dirk Serries (gitara).

Live at De Singer. Sample, szczypta field recordingu (?), trzaski na kablach i nieistniejących winylach, w konfrontacji z chilloutową gitarą elektryczną na dużym pogłosie. Narracja elektroniczna nieco rwana, chaotyczna, nielinearna, w opozycji do gitarowych, trwających pasaży. W 8 minucie Serries wycofuje się na jeszcze głębszy plan i generuje niepokojące flażolety, ledwie muska struny, trochę je pociera. Zwinnie eskaluje się w ciszy poprzez błyskotliwe, oniryczne drony. Elektronika aż milknie na moment z wrażenia. Choć już w 17 minucie zdaje się recenzentowi nazbyt inwazyjna, delikatnie kalecząc dotychczasowy nastrój koncertu. Reakcja gitarzysty jest natychmiastowa – intensyfikuje narrację, choć ciągle atakuje z dalekiego planu. Ponieważ na kablach skwierczy już naprawdę silnie, finał pierwszego spotkania upływa nam na czymś w rodzaju eskalacji, w tej dość wszak nietypowej aurze instrumentalnej.

Live at De Ruimte. Na początku drugiego epizodu – tym razem coś na kształt sonorystyki kabli i strun gitary – kluje się piękna historia. Dirk preparuje za progiem gryfu, a po stronie Grahama jakby więcej inwencji i kreacji. W 6 minucie witamy się z ciszą. Aż strach głośniej westchnąć na widowni. Bodaj najbardziej spokojny fragment w całym katalogu Raw Tonk. 12 minuta – rzadka na tym dysku próba wyraźnej interakcji pomiędzy gitarą, a komputerem. Skutkiem tego, odrobina dramaturgicznego zamętu. Gitara buduje nowy dron, który swą urodą tłamsi ambiwalencje recenzenta. W okolicy 20 minuty muzycy grają już głośniej. Podskórny nerw pcha tę narrację na szczebel wyższej oceny. Na finał rodzaj wybrzmienia, które bardzo służy temu scenicznego wydarzeniu: ciche medytacje, artystyczny sarkazm mikronarracji, która buduje entuzjazm recenzenta.”

DIKEMAN/LISLE/SERRIES/WEBSTER – Live At Cafe OTO (CDr, Raw Tonk Records)

“Jesteśmy na koncercie kwartetu (kwiecień, 2015), który dobrze znamy z innych opowieści na tych łamach. Dwa saksofony (John Dikeman na tenorze i Colin Webster na barytonie) na przeciwległych flankach, gitara elektryczna (Dirk Serries) i perkusja (Andrew Lisle) atakujące centralnie. Jeden trak, sam konkret – 32 minuty.

Od pierwszej sekundy, dynamiczny free jazz, kreowany przez ostrokanciaste saksofony, rockową perkusję i tłustą gitarę, na gryfie której mają miejsce niezwykle energetyczne zjawiska. Już w 5 minucie dopada nas pierwsze studzenie emocji – drony dęciaków, metaliczny background gitary. Industrialny taniec onirycznych wielodźwięków, które prowokują się wzajemnie do eskalacji (doskonałe!). Dynamiczne wstanie z kolan ma miejsce już w 11 minucie. Kolejne kilka minut i ponowny przystanek, podczas którego hałaśliwa gitara krzyczy, zdziera gardło i rozrywa struny. Saksofon z prawej wyje w wysokim rejestrze, a my poddawani jesteśmy bez chwili wytchnienia emocjonalnemu down and up. Następny bieg pod górę odbywa się w estetyce brotzmannowskiej – konwulsyjne wrzaski z gorejących tub! Jedna z nich zwinnie zapętla się na dronie gitary. Ta ostatnia stoi jednym dźwiękiem, gdy wokół trwa galopada w najlepsze. Muzycy po stanie wrzenia lubią się szybko tłumić, nie pędzą na złamanie karku, ciągle szukają ciekawszych rozwiązań. Finalny orgazm odbywa się przy dźwiękach samotnego saksofonu! Perfekcyjne!”

KODIAN TRIO – Live At Paradox + VOLT/PLETTERIJ (CDr + tape, Raw Tonk Records)

“Trzy holenderskie koncerty tria, jakie miały miejsce między marcem, a majem ubiegłego roku. Akurat te, które ukazały się wcześniej, są tymi późniejszymi, ale to bez znaczenia. Colin Webster (tu, saksofon altowy), Dirk Serries (gitara elektryczna) i Andrew Lisle (perkusja) – konstatacja tych bystrzejszych: Kodian Trio, to kwartet z poprzedniego akapitu, uszczuplony o jedną rurę!

Paradox (37 min.): pretekstem do improwizacji jest tu jazzowe frazowanie gitary i dość wyważonego altu. Tonacja molowa, stukot drummera. Intryga narracyjna buduje się wokół fikuśnych, modulowanych pętli na gryfie gitary i rosnącego dramatyzmu sytuacyjnego perkusji. Alt przyczajony, czeka na żerowisku. Galop zaczynamy w 6 min., a zdobi go świetny dialog saksofonu i gitary! Pod koniec pierwszego kwadransa muzycy schodzą piętro niżej. Piękne pasaże smyka na gryfie, prawdziwe violoncello na kwasie! Alt, przy wtórze orkiestry talerzy, wchodzi na drugiego. Kluje się z tego incydentu prawdziwe ptaszysko o niepoliczalnych walorach estetycznych. Drży, grzmoci i wymiata! Czego, by muzycy nie wymyślili, efekt przerasta ich oczekiwania. Okolice 27 minuty – znów pląsy na gitarze i altowe intrygi na dyszach rozgrzewają długopis recenzenta. Brak zahamowań gatunkowych, jakże służy tej improwizacji. Finałową ścieżkę koncertu tyczy kolejny wartościowy dialog Colina i Dirka, budowany na zwinnej i cierpliwej ekspozycji Andrew.

Volt (36 min.): dynamiczny start szorstko brzmiących instrumentów, zwłaszcza altu. Wyostrzone krawędzie, jedynie słuszne decyzje dramaturgiczne. Drummer idealnie wkleja się w te improwizowane puzzle. W okolicach 13 minuty, Serries zaczyna rozrabiać – pętli się na strunach, moduluje dźwięk, ma tysiące pomysłów na sekundę, stawia też znaki zapytania. Webster jedzie na bezdechu już chyba drugą godzinę. Lisle słusznie zaś czyni, pozostawiając partnerom sporo miejsca. 18 minuta obwieszcza zejście do piwnicy. Narracja staje w miejscu, plamy dźwiękowe wiją się wokół siebie, tańczą złowieszczo (bajka!). Koncert talerzy, cuda na gryfie gitary (Serries każdego sprowadzi na manowce, tu jakże urocze!). Młodzi Anglicy niechybnie czekają na to, co zrobi sporo starszy Belg. Finalna erupcja! Trudno o lepszy, bardziej perfekcyjny komentarz.

Pletterij (29 min.): start bliźniaczy do wyżej omówionego koncertu, ale to nie dziwi, gdyż na osi czasu jesteśmy zaledwie 48 godzin… wcześniej! Może jedynie wejście dynamicznej perkusji następuje nieco wcześniej. W okolicach 4 minuty, intrygujące, wypasione solo gitarowe w oldschoolowych klimatach. Agresywnie, zawadiacko, z ostrogami! Alt także potrafi pohałasować! 10 minuta wyznacza radykalny stop narracyjny. Gitara kompletnie zmienia swój tryb pracy. Gra blue-ambient, cokolwiek to znaczy w ustach recenzenta. Systematycznie plami przestrzeń smugami dymu z papierosów. Alt, bez krzty wątpliwości, chce być partnerem w tej nieśpiesznej rozmowie. Jesteśmy u wezgłowia ciszy i jest nam niewymownie dobrze. Cóż ten Webster nie wyprawa na dyszach?! Cudaniebywałe! Narracja stoi, a Lisle śpi. Serries prostym środkami wzbudza eksplozję wyobraźni u saksofonisty. Ornamenty na talerzach wybudzonego drummera nie mogą tu być lepszym komentarzem. Niespodziewanie zostaje sam na scenie i bez trudu czyni wartość dodaną w tym niezwyczajnym spektaklu ciszy i niepokoju. Powrót gitary jest odrobinę wulgarny akustycznie, ale broni się porcją innowacyjności. Alt pętli się , czyli definitywnie wracamy do świata żywych (19 min.). Wysokogatunkowy galop nie jest zaskoczeniem. Noise where ever you want! 24 minuta i Serries znów bierze na siebie odpowiedzialność za punkt zwrotny. Webster wchodzi w tę pyskówkę i kreśli myśl przewodnią. Kolejny szczyt ze spermą na nieboskłonie! Opus magnum Kodiana, jak do tej pory.” Jazzarium – Poland